← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:2348

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/4096 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2023 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. S. Ilkdogan), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: R. van den Brink). Inleiding Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het Uwv heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. De rechtbank sluit het onderzoek en doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
  2. Het Uwv heeft op 1 juli 2022 een beslissing op bezwaar genomen, waarin het Uwv bij de beslissing van 13 september 2021 is gebleven en het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 17 maart 2023 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing genomen, waarin het Uwv terugkomt op het besluit van 13 september 2021 en het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond wordt verklaard. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
  3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepsschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat staat in artikel 8:75a van de Awb.
  4. Met het gewijzigde besluit op bezwaar van 17 maart 2023 is het Uwv tegemoet gekomen aan de beroepsgronden van verzoekster. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen en de rechtbank veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster.
  5. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
  6. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot het Uwv moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei
  7. de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier Rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.