Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2023:2763
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/136 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2023 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Arnold).
Inleiding en leeswijzer Inleiding 1. Deze zaak gaat over eiser (hierna: de budgethouder) die een groot bedrag aan ontvangen persoonsgebonden budget (pgb) moet terugbetalen aan het zorgkantoor. De budgethouder heeft een verstandelijke beperking en is slachtoffer geworden van (frauduleus) handelen van anderen. Hij is zelf te goeder trouw.
Leeswijzer 5. De rechtbank zal hierna motiveren op basis van welke overwegingen en oordelen zij tot deze conclusie komt.
Overwegingen 8 tot en met 12 gaan over de feiten en de procedure;
Overwegingen 13 tot en met 22 gaan over de beoordeling of aan de wettelijke criteria is voldaan om het pgb lager vast te stellen en dat die bevoegdheid bestaat;
Overwegingen 23 en 24 gaan over de wijze waarop de rechtbank de toepassing van die bevoegdheid moet toetsen en over het oordeel dat zij blijft bij de lijn zoals ingezet met de uitspraken van 11 februari 2022;
Overwegingen 25 tot en met 39 gaan over de belangenafweging in deze concrete zaak en over het oordeel dat die in het voordeel van de budgethouder moet uitpakken;
Overwegingen 40 en 41 gaan over de manier waarop de rechtbank de zaak vervolgens (juridisch) afdoet en over de bijkomende beslissingen over de kosten.
Overwegingen over de feiten en de procedure 8. De budgethouder in deze zaak heeft een verstandelijke beperking. Hij is in het dagelijks leven afhankelijk van ondersteuning en begeleiding. Hij heeft somberheids- en angstklachten, waarschijnlijk vanwege PDD-NOS. Hij ontving vanaf 2015 een pgb op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), op basis van zorgprofiel ‘VG Wonen met begeleiding en verzorging‘. De budgethouder heeft vanaf de start in 2015 zorg van [zorgverlener] ontvangen die uit het pgb werd betaald. [vader] (hierna: de vader van de budgethouder), [zus] (hierna: de zus van de budgethouder) en [broer] (hierna: de broer van de budgethouder) hebben een rol gespeeld bij het beheer van het pgb. Tezamen worden zij in deze uitspraak de familieleden van de budgethouder genoemd.
Het zorgkantoor is van mening dat dit bedrag ten onrechte aan [zorgverlener] is betaald. Het zorgkantoor wil met deze procedure onder andere bereiken dat de rechtbank vaststelt dat uit het pgb van de budgethouder bedragen zijn betaald aan [zorgverlener] waarvoor geen zorg is verleend. Het zorgkantoor is van plan om de familieleden van de budgethouder aansprakelijk te stellen in een civiele procedure. Daarmee kan dan worden bereikt dat uiteindelijk niet de budgethouder, maar de familieleden het bedrag moeten betalen aan het zorgkantoor.
Overwegingen over de bevoegdheid van het zorgkantoor om het pgb lager vast te stellen Wettelijke bepalingen en bewijslast 13. De rechtbank beoordeelt eerst of het zorgkantoor bevoegd is om het pgb over de jaren 2017 en 2018 lager vast te stellen (hierna: lager vast te stellen). Omdat een pgb een subsidie is, gelden voor de besluiten van het zorgkantoor de bepalingen over subsidies uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Subsidies – en pgb’s dus ook – worden altijd eerst toegekend, waarna later een definitieve vaststelling volgt. Als het pgb wel al is toegekend, maar nog niet is vastgesteld, kan dit pgb onder voorwaarden worden ingetrokken of lager worden vastgesteld dan de aanvankelijke toekenning. Dit is wat het zorgkantoor heeft beslist over het pgb over 2017 en 2018, op grond van artikel 4:48 van de Awb. Deze en andere relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
De standpunten van partijen 15. Het zorgkantoor heeft het pgb over de jaren 2017 en 2018 lager vastgesteld omdat er niet aan de pgb-verplichtingen is voldaan. Hieraan heeft het zorgkantoor ‑ onder andere ten grondslag gelegd dat de gehele administratie uit handen is gegeven aan [zorgverlener] . Ook is het zorgkantoor niet op de hoogte gesteld van de wijziging in de zorgovereenkomst per 1 april 2017 en van de wijzigingen in de zorg ten opzichte van de ingediende zorgbeschrijving. Ook kan uit de administratie die het zorgkantoor van de SvB heeft ontvangen niet worden opgemaakt welke zorgverlener vanuit [zorgverlener] zorg heeft geleverd. De facturen zijn niet door de budgethouder en de zorgverlener ondertekend en tijdens de hoorzitting is verklaard dat de facturen en urendeclaraties niet werden gecontroleerd.
Verder heeft het zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat op basis van de door de Inspectie van SZW bij [zorgverlener] aangetroffen en met het zorgkantoor gedeelde administratie niet aannemelijk is dat de budgethouder daadwerkelijk naar aard en inhoud de (volledige) zorg van [zorgverlener] heeft ontvangen, terwijl die door [zorgverlener] wel is gedeclareerd en uit het pgb is gefinancierd. Uit de stukken uit de administratie van [zorgverlener] blijkt dat de budgethouder per week voor slechts twee uur ambulante zorg bij medewerker [werknemer 1] voorkomt en voor twee uur ambulante zorg bij medewerker [werknemer 2] staat ingepland op ‘geanonimiseerd rooster personeel vanaf September 2017’.
Op de ‘geanonimiseerde bestanden van de geplande ambulante zorg van de maanden juli tot december 2017’ komt de budgethouder niet voor. De budgethouder had met [zorgverlener] afspraken gemaakt voor het leveren van persoonlijke verzorging en individuele begeleiding. Dit betreft ambulante zorg die de budgethouder thuis zou ontvangen. In de administratie van [zorgverlener] is echter slechts een beperkt aantal uren in de registratie aangetroffen dat deze zorg daadwerkelijk bij [zorgverlener] was ingepland en vervolgens zou zijn geleverd. Voor zover de familieleden van de budgethouder hebben aangegeven dat er ook begeleiding groep door [zorgverlener] zou zijn geleverd, wijst het zorgkantoor er op dat de budgethouder niet voorkomt op de ‘geanonimiseerd Presentielijst clienten 2017’ en ‘geanonimiseerd clienten 2018’.
Het eerste bestand is de dagbesteding van januari 2016 tot en met december 2017 en het tweede de dagbesteding van januari tot en met maart 2018.
Het oordeel van de rechtbank 17. De rechtbank overweegt dat uit de systematiek van de Wlz volgt dat het de taak van het zorgkantoor is om er voor te zorgen dat bepaalde controles voorafgaand aan de betaling van het pgb plaatsvinden, zoals de controle van de zorgovereenkomst met zorgbeschrijving en de controle voorafgaand aan de betaling van de declaratie. Ook als deze controle vooraf niet goed is gebeurd, kan het zorgkantoor bij de uitvoering van de Wlz op ieder moment overgaan tot een zorginhoudelijk onderzoek. Het zorgkantoor heeft naar aanleiding van de bevindingen van de Inspectie SZW betreffende fraude door [zorgverlener] , deze (zorg)inhoudelijke controle uitgevoerd. Daarbij zijn ook het beheer en de besteding van het pgb van de budgethouder nagegaan en heeft het zorgkantoor onder andere gecontroleerd of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd. Op grond van de bevindingen uit dit onderzoek heeft het zorgkantoor zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de budgethouder daadwerkelijk naar aard en inhoud de (volledige) zorg van [zorgverlener] heeft ontvangen, terwijl die door [zorgverlener] wel is gedeclareerd en uit het pgb is gefinancierd.
Overwegingen over de toetsing door de bestuursrechter Bescherming budgethouder te goeder trouw 23. Zoals de rechtbank in de inleiding al uiteen heeft gezet is de meervoudige kamer van deze rechtbank in haar uitspraak van 2 mei 2023 tot het oordeel gekomen dat zij vasthoudt aan de lijn die zij heeft ingezet met de uitspraken van 11 februari 2022. In de uitspraak van 2 mei 2023 heeft de rechtbank uitgelegd dat de uitspraak van 23 november 2022 waarin de CRvB haar vaste lijn handhaaft, de rechtbank niet heeft overtuigd omdat de CRvB zijn oordelen slechts beperkt heeft gemotiveerd en niet ingaat op de uitgebreide overwegingen van de rechtbank in de uitspraken van 11 februari 2022. De rechtbank komt in de uitspraak van 2 mei 2023 dan ook tot de conclusie dat zij zich nog steeds genoodzaakt voelt om via de evenredigheidstoetsing rechtsbescherming te bieden bij de bestuursrechter, waarbij de goede trouw van de budgethouder zal worden betrokken.
Uit het ‘gespreksformulier BK-gesprekken’, waarbij de broer van budgethouder aanwezig was, blijkt dat de budgethouder niet weet wat een pgb inhoudt en dat hij zich niet bewust is van de rechten en plichten. Ook is in dit formulier door degene die het bewustkeuzegesprek namens het zorgkantoor heeft gevoerd, aangekruist dat de budgethouder niet bekwaam is om zelf het pgb te voeren met als toelichting dat de budgethouder door zijn verstandelijke beperking niet bekwaam is. In het verslag van het huisbezoek dat op 16 februari 2016 is afgelegd staat ook dat de regie van de budgethouder ten aanzien van de administratie slecht is. Bovendien heeft het zorgkantoor deze budgethouder als te goeder trouw aangemerkt.
Daarbij lag de beherende rol van het pgb in deze zaak – net als in de zaken die hebben geleid tot de hiervoor genoemde uitspraken – ook bij derden, te weten de familieleden van de budgethouder en heeft het zorgkantoor hen aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van hun handelen veroorzaakte schade.
Overwegingen over de belangenafweging in deze zaak 25. Dat de rechtbank onderzoekt of de bescherming van een kwetsbare budgethouder in het bestuursrechtelijke spoor is gewaarborgd, betekent nog niet dat die belangenafweging altijd in het voordeel van de budgethouder uitvalt. De rechtbank ziet zich nu dan ook voor de vraag gesteld of het zorgkantoor in deze zaak in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb over de jaren 2017 en 2018 lager vast te stellen.
Budgethouder te goeder trouw 28. De rechtbank stelt voorop dat de mate waarin de budgethouder een verwijt kan worden gemaakt een rol kan spelen bij de te maken belangenafweging en dus bij beantwoording van de vraag of het bestreden besluit voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit geval oordeelt de rechtbank dat die afstemming onvoldoende is. Daarvoor is bepalend dat het zorgkantoor de budgethouder als te goeder trouw heeft beoordeeld met als gevolg dat het zorgkantoor daarom bereid is om de ten onrechte betaalde pgb-gelden niet bij hem in te vorderen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.
Handhaving jegens budgethouder zinledig 31. De rechtbank overweegt dat het belang van handhaving in het algemeen zwaar weegt, omdat het gaat om de besteding van gemeenschapsgeld. De rechtbank oordeelt echter dat het doel dat met het bestreden besluit wordt gediend niet kan zijn de handhaving van de Wlz jegens deze budgethouder. Omdat vaststaat dat de budgethouder te goeder trouw is, is aannemelijk dat hij zich bij een eventueel invorderingstraject daarop kan beroepen, overeenkomstig het beleid van het zorgkantoor. Het alleen maar lager vaststellen en terugvorderen is jegens de budgethouder echter zinledig als niet ingevorderd zal of kan worden. Handhaving van de Wlz mag dan een begrijpelijk algemeen uitgangspunt zijn van het zorgkantoor, maar kan jegens deze budgethouder hier niet het met het bestreden besluit te dienen doel zijn.
De familieleden kunnen zelfstandig worden aangesproken 33. De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor het bestreden besluit ten aanzien van de budgethouder niet nodig heeft voor een civiele procedure tegen de familieleden van de budgethouder. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar haar overwegingen in de uitspraken van 11 februari 2022. Samengevat komen deze overwegingen erop neer dat als het bestreden besluit in rechte komt vast te staan, de civiele rechter moet aannemen dat het pgb lager is vastgesteld en teruggevorderd omdat dat het rechtsgevolg is van het bestreden besluit. Het is echter niet zo dat de formele rechtskracht er toe leidt dat de civiele rechter ook is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die hebben geleid tot het oordeel van de bestuursrechter. De feiten en de motivering terzake het handelen van de familieleden van de budgethouder die het zorgkantoor aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd kunnen zonder beperking in volle omvang aan de civiele rechter worden voorgelegd.
Grote gevolgen voor de budgethouder 37. De rechtbank overweegt verder dat de gevolgen voor de budgethouder groot zijn. Omdat het zorgkantoor niet nu al expliciet wil toezeggen dat hij van de invordering bij de budgethouder afziet, hangt voor de budgethouder dus invordering van een groot bedrag (€ 47.370,-) in de lucht met alle stress en onzekerheid van dien. Verder is niet in geschil dat de budgethouder kwetsbaar is, in die zin dat hij niet in staat is om zelf de aan het pgb verbonden taken en verplichtingen na te komen. Zoals hiervoor onder 24 al is vastgesteld bleek dit al tijdens het bewustkeuzegesprek op 17 november 2014. Tijdens dit gesprek is ook afgesproken dat de vader en broer van de budgethouder de pgb-administratie zouden gaan voeren. Verder is de budgethouder te goeder trouw beoordeeld en daaruit leidt de rechtbank af dat ook het zorgkantoor vindt dat hem niets te verwijten valt. Het beheer van het pgb lag immers feitelijk bij zijn familieleden. De budgethouder is dus niet de veroorzaker van deze pgb-schuld. De rechtbank wijst in dit kader ook op een rapport van QConsult waarin de complexiteit van het pgb-systeem wordt benadrukt en waarin oplossingen worden genoemd om onduidelijkheid in de rolverdeling en aansprakelijkheid te voorkomen.
Conclusie ten aanzien van de belangenafweging 38. De rechtbank oordeelt dat het belang van het zorgkantoor bij handhaving in dit geval niet duidelijk is vast te stellen. Het doel dat het zorgkantoor met het besluit lijkt na te streven, kan niet worden bereikt. Aan de andere kant heeft de budgethouder er veel belang bij dat zijn pgb niet lager wordt vastgesteld en teruggevorderd. Hij heeft te maken met een hoge terugvordering waarvan het zorgkantoor nu niet expliciet wil afzien, terwijl het zorgkantoor tegelijkertijd van mening is dat hem niets te verwijten valt en dat hij te goeder trouw is. Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het zorgkantoor de belangenafweging in deze zaak in redelijkheid niet in het nadeel van de budgethouder heeft kunnen laten uitvallen. Het lager vaststellen en het terugvorderen van het pgb is onevenredig in verhouding tot de met dat besluit door het zorgkantoor te dienen doelen. Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
Algehele conclusie 40. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen. Een andere uitkomst is in het licht van deze uitspraak immers niet meer mogelijk.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; draagt het zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden; veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten tot een bedrag van € 2.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Bijlage 1 Procesverloop 1. Met het besluit van 12 februari 2015 heeft het zorgkantoor aan de budgethouder een pgb toegekend voor 2015 van € 47.169,-.
Bijlage 2 Wettelijke bepalingen Bepalingen over intrekking, wijziging en terugvordering van subsidies Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht:
Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. […] Het evenredigheidsbeginsel Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht: […] De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Bepalingen over de gewaarborgde hulp bij een pgb Artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg: […] 4. Het persoonsgebonden budget wordt, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien: […] de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren; de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de door hem verkozen zorgaanbieders en mantelzorgers op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg; […] 5. Het persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien: […] de vertegenwoordiger van de verzekerde niet voldoet aan regels inhoudende beperkingen of eisen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kring van vertegenwoordigers kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de verzekerde of van het waarborgen van de hulp, bedoeld in de onderdelen b en c van het vierde lid.
Artikel 3.6.2 van het Besluit langdurige zorg: […] 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de verlening of weigering van een persoonsgebonden budget.
Artikel 5.6 van de Regeling langdurige zorg:
Tenzij de verzekerde beschikt over gewaarborgde hulp, wordt een persoonsgebonden budget niet verleend aan een verzekerde die: a. krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel:
VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging, VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg, VV Beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging, VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding, VG Wonen met begeleiding en intensieve verzorging, VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, VG Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, VG Besloten wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, VG Wonen met begeleiding en volledige verzorging en verpleging, of GGZ wonen met intensieve begeleiding, GGZ wonen met intensieve begeleiding en verzorging, GGZ wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering, GGZ wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging, of b. op 31 december 2014 recht had op zorgzwaartepakket 4 VV, 5 VV, 6 VV, 7 VV, 4 VG, 5 VG, 6 VG, 7 VG en 8 VG.
Artikel 5.11 van de Regeling langdurige zorg: […] 2. De verlening van een persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de verzekerde overeenkomstig het eerste lid ingeschakelde hulp: […] 5 ° anderszins onvoldoende waarborg zal bieden voor het nakomen van de voor de verzekerde aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen.
Artikel 5.16 van de Regeling langdurige zorg: […] 2. Zorgovereenkomsten worden opgesteld volgens de meest recente door de Sociale verzekeringsbank vigerende vastgestelde toepasselijke modelovereenkomsten, die beschikbaar waren gesteld ten tijde van het afsluiten van de zorgovereenkomst, en bevatten bovendien ten minste: […] c een beding, inhoudende dat het zorgkantoor een vordering heeft op de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget zorg levert indien het persoonsgebonden budget naar aanleiding van toerekenbaar handelen van die persoon is ingetrokken of herzien, ter hoogte van het bedrag dat gelijk is aan het door die persoon vanwege dat toerekenbaar handelen ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag; […] Artikel 5.20 van de Regeling langdurige zorg: […] 2. Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen: […] b. met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget dan wel verhoging van het budget als bedoeld in artikel 5.1c, vijfde lid, of aan de eisen van gewaarborgde hulp; of […] Uitspraken van 11 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:477, ECLI:NL:RBMNE:2022:478 en ECLI:NL:RBMNE:2022:479.
Uitspraak van de 23 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2460.
ECLI:NL:RBMNE:2023:2046.
Zie bv. overweging 2 tot en met 4 en 12 en 13 van de uitspraak met ECLI:NL:RBMNE:2022:478.
Zie de brief van de huisarts van 18 oktober 2018.
Voorheen ZZP 3VG, zie bijlage A bij de Regeling langdurige zorg (Rlz).
Zie de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250, overweging 4 van paragraaf III.
Zie overwegingen 33 tot en met 39 van de uitspraak van 2 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2046.
Zie de overwegingen 63 tot en met 66 van de uitspraak van 11 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:478.
Zie bv. overweging 42 van de uitspraak van 11 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:478.
Zie de uitspraken van de CRvB van 23 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2461 en ECLI:NL:CRVB:2022:2462.
Het rapport “Regie en vertegenwoordiging bij pgb-beheer” van Q-Consult zorg van 19 december 2017.