← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:3041

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/3508 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2023 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] (Curaçao), verzoekster (gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak), en de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Overwegingen

  1. Verzoekster heeft op 15 juli 2022 een beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een besluit van verweerder. Verweerder heeft op 21 juli 2022 een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarom haar beroepschrift ingetrokken en een vergoeding voor haar proceskosten gevraagd.
  2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
  3. Verweerder wil de proceskosten van verzoekster niet vergoeden. Volgens verweerder is het beroep te vroeg ingediend, nu verweerder de ingebrekestelling op 7 juli 2022 heeft ontvangen en verzoekster binnen de twee-wekentermijn in beroep is gegaan. Verweerder heeft, nadat hij de ingebrekestelling heeft ontvangen, alsnog binnen twee weken beslist.
  4. Op 2 februari 2023 heeft de rechtbank een brief gestuurd aan beide partijen om te beoordelen of het beroep van verzoekster ontvankelijk was. In deze brief heeft de rechtbank verzocht om stukken in te dienen waaruit blijkt wanneer verzoekster de ingebrekestelling naar verweerder heeft verzonden en wanneer verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen.
  5. Verzoekster heeft een e-mail overgelegd om de verzending van de ingebrekestelling op 29 juni 2022 aan te tonen. Op basis van de stukken die verzoekster heeft overlegd, kan de rechtbank niet vaststellen of de ingebrekestelling in deze zaak per e-mail van 29 juni 2022 verstuurd is. Verzoekster heeft namelijk meerdere ingebrekestellingen gestuurd en daarbij is geen (herleidbaar) kenmerk genoemd in de e-mail. De rechtbank oordeelt dat door verzoekster niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder de ingebrekestelling eerder dan 7 juli 2022 heeft ontvangen.
  6. Dit betekent dat verweerder o.g.v. artikel 6:12, tweede lid, van de Awb tot en met 22 juli 2022 de tijd had om een besluit te nemen. Eiseres heeft haar beroepschrift dus te vroeg ingediend. Als zij het beroep niet zou hebben ingetrokken, zou het beroep niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
  7. De rechtbank wijst daarom het verzoek om proceskostenveroordeling af. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van I.J. Tiktak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei
  8. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.