← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:371

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Locatie Utrecht rekestnummer: C/16/549617 / FT RK 22/991 Beschikking op grond van artikel 1 Fw (verzoek tot faillietverklaring) d.d. 17 januari 2023 in de zaak van de besloten vennootschap [verzoekster] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster, advocaat mr. W.T.M.J. Krale, tegen de besloten vennootschap [verweerster] B.V. , ingeschreven bij de KvK onder nummer [KvK nummer] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, Advocaat mr. M. Mense. 1De procedure 1.

  1. Het verzoekschrift tot faillietverklaring is behandeld tijdens een zitting middels videoverbinding van deze rechtbank van 17 januari
  2. 1.
  3. Ter zitting zijn verschenen: Mr. W.T.M.J. Krale, advocaat verzoekster, De heer [A] , bestuurder verzoekster, Mr. M. Mense, advocaat verweerster, Mevrouw [B] , bestuurder verweerster. 2De beoordeling 2.
  4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij een opeisbaar bedrag van € 53.604,00 p.m. te vorderen heeft van verweerster, zijnde rente en aflossingen uit hoofde van twee investeringsovereenkomsten. Verzoekster onderbouwt haar standpunt als volgt. De lening is door verzoekster verstrekt aan de vennootschap voor de financiering van (onder meer) onderzoek naar het project “ [naam] ”. In de leningsovereenkomst is in de considerans onder C respectievelijk G het volgende bepaald: “C. Hoewel het onderzoek 30 maanden duurt, zal vanaf 18 maanden na de start van de poetsinstructies op de basisscholen (start naar verwachting sept/okt. 2016) een wetenschappelijk onderbouwde uitspraak zijn te doen of en in hoeverre [naam] effectief is. Blijkt het dat niet te zijn, dan is er sprake van een NO GO moment. Blijkt uit het pilot onderzoek na 30 maanden dat [naam] effectief is, dan is er sprake van een GO moment zoals hierna verder bepaald. […] G. Gemelde geldlening zal bij een NO GO komen te vervallen. Bij een GO ontvangt Investeerder - naast terugbetaling inclusief betaling van rente - onder na te melden voorwaarden een bonus van ( 15.000,- ( zegge: vijftienduizend euro.) Volgens verzoekster kan uit notulen en correspondentie uit 2019 en 2020 worden afgeleid dat het bestuur en de aandeelhouders van verweerster met elkaar zijn overeengekomen dat er sprake is van een “GO” voor het project [naam] . Daarom is de vordering van (onder meer) verzoekster verschuldigd en opeisbaar. De rapporten van de GGD doen niet af aan die conclusie, aldus verzoekster. Verder heeft verzoekster naar voren gebracht dat het rapport van de GGD was bedoeld om na te gaan of vergoeding uit de basis verzekering mogelijk zou zijn, zodat geen sprake was van een “NO GO”. Ten slotte heeft verweerster niet betwist dat zij in de toestand verkeerd dat zij heeft opgehouden te betalen, aldus nog steeds verzoekster. 2.
  5. Verweerster stelt zich op het standpunt dat verzoekster er geen sprake is van opeisbare vorderingen. Bij het aangaan van de investeringsovereenkomst is vastgelegd dat de GGD een onderzoek zou doen naar het effect van het mondgezondheidsprogramma [naam] en dat op basis van de uitkomst de investering wel of niet terug betaald zou worden. In tegenstelling tot het standpunt van verzoekster is verweerster van mening dat er geen sprake is geweest van een GO, omdat uit de onderzoeksrapporten van de GGD niet kan worden afgeleid dat [naam] effectief is. De vordering van verzoekster is dan ook komen te vervallen. Bovendien kan uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering, noch uit andere stukken worden afgeleid dat partijen alsnog met elkaar hebben afgesproken dat er sprake is van een GO. 2.
  6. De rechtbank overweegt als volgt. In de investeringsovereenkomsten is de GO of NO GO afhankelijk gesteld van de uitkomst van het door de GGD te verrichten onderzoek. De GGD heeft in het tussentijdse onderzoek of in het eindonderzoek niet de conclusie getrokken dat [naam] effectief is. Op basis van de tekst van de overeenkomst is er in dat geval sprake van een NO GO, waarmee de vordering van verzoekster zou zijn komen te vervallen. Dit kan uitzonderling leiden als de partijbedoeling afwijkt van hetgeen in de investeringsovereenkomsten is opgenomen, maar daarvan is de rechtbank niet gebleken. Uit de notulen en andere door verzoekster overgelegde correspondentie kan niet worden afgeleid dat (het bestuur van) verweerster vond dat er sprake was van een GO. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de werkzaamheden die er mogelijk op gericht waren om [naam] vanuit de basisverzekering vergoed te krijgen. Ten slotte kan ook uit het feit dat Stichting [naam] is opgericht en subsidie bij de Provincie is aangevraagd, is, niet worden afgeleid dat er sprake was van een GO. Dat betekent dat er gelet op de uitkomsten van het GGD-onderzoek sprake is van een NO GO, wat op grond van de investeringsovereenkomsten de daarin bepaalde gevolgen heeft voor de vordering van verzoekster. 2.
  7. Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de vordering van verzoekster niet summierlijk is komen vast te staan, in het licht van de gemotiveerde betwisting door verweerster. Het verzoek tot faillietverklaring dient derhalve te worden afgewezen. 3De beslissing De rechtbank: wijst af het verzoek tot faillietverklaring. Deze beschikking is gegeven door mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken op 17 januari
  8. Hoger beroep tegen deze beschikking kan alleen worden ingesteld door een advocaat, bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen. De eerste dag daarvan is die na de datum van deze beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.