← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:4149

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/291619-21 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd (uit andere hoofde) in P.I. [verblijfplaats] , hierna: veroordeelde 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juni

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen veroordeelde en mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. 2BEOORDELING VAN DE VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt om de vordering tot ontneming af te wijzen. 2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de vordering tot ontneming af te wijzen. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard de schadevergoeding aan de benadeelde partij te zullen betalen. 2.3 Het oordeel van de rechtbank De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2023, voor zover relevant, veroordeeld voor het medeplegen van oplichting. De rechtbank heeft bij het vonnis de vordering van de benadeelde partij (voor de materiële schade) toegewezen tot een bedrag van € 4.850, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Niet is gebleken dat veroordeelde meer wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dan de rechtbank aan de benadeelde partij heeft toegewezen. Op grond van artikel 36e lid 8 Sr worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Toepassing van deze regeling betekent dat per saldo geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer overblijft. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom op nihil worden vastgesteld. De vordering tot het opleggen van een betalingsverplichting zal om bovenstaande redenen worden afgewezen. 3TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht 4BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil; - wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck. voorzitter, mrs. A.M.M. Lemmen en B. Vis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Wolters, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juli
  2. De griffier, de jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.