← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:731

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/4877 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2023 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: M. van der Veen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: mr. E. Witte). Inleiding 1.1 Bij besluit van 4 januari 2022 heeft het Uwv per 1 januari 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiseres toegekend. 1.

  1. Bij besluit van 11 april 2022 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiseres definitief berekend. Eiseres heeft tot en met 31 januari 2022 gewerkt. De inkomsten hiervan worden verrekend met de WIA-uitkering. Verder heeft eiseres in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 een bruto bedrag van € 2.541,93 te veel aan voorschot op haar WIA-uitkering ontvangen. 1.
  2. Bij besluit van 20 april 2022 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv een netto bedrag van € 2.008,73 van eiseres teruggevorderd in verband met het te veel ontvangen voorschot op de WIA-uitkering. 1.
  3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze terugvordering omdat de afrekening over de maand maart 2022 niet juist is. Een deel van deze afrekening bestaat uit een transitievergoeding en een deel uit niet-genoten vakantiedagen van de periode vóór 1 januari 2022 en dus van voordat recht op een WIA-uitkering bestond. Van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2022 was sprake van een slapend dienstverband zodat er geen vakantiedagen in deze periode zijn opgebouwd. 1.
  4. Bij besluit van 22 september 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv heeft de terugvordering over de maand maart 2022 opnieuw berekend, omdat de eerdere berekening niet juist was. Het Uwv heeft de transitievergoeding en de niet-genoten vakantiedagen in de nieuwe berekening niet meegeteld. Het bedrag dat eiseres moet terugbetalen wijzigt echter niet, omdat de inkomsten uit werk met een bedrag van € 2.346,02 hoger blijven dan het WIA-maandloon over de maand maart 2022 (€ 2.254,39). 1.
  5. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  6. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari
  7. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met vooraf bericht van verhindering, niet op de zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  8. Eiseres voert aan dat het Uwv in het bestreden besluit niet is tegemoetgekomen aan de bezwaargrond dat de berekening van het te veel ontvangen voorschot op de WIA-uitkering over de maand maart 2022 niet juist is, omdat het Uwv hierbij de transitievergoeding en een deel aan niet-genoten vakantiedagen heeft meegeteld.
  9. De rechtbank stelt echter vast dat het Uwv de door werkgever betaalde transitievergoeding en een bedrag aan niet-genoten vakantiedagen over de maand maart 2022, anders dan eiseres stelt, wel heeft gecorrigeerd in het bestreden besluit. De herberekening leidt echter niet tot een andere uitkomst voor eiseres, omdat het resterende loon hoger blijft dan het bedrag dat eiseres op voorschotbasis aan WIA-uitkering heeft ontvangen. De bedragen zoals vermeld in de primaire besluiten blijven daarom hetzelfde. Conclusie en gevolgen
  10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft berekend dat eiseres over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 een bruto bedrag van € 2.541,93 te veel aan voorschot op haar WIA-uitkering heeft ontvangen. Het Uwv heeft ook terecht een netto bedrag van € 2.008,73 van eiseres teruggevorderd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
  11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2023 door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.