Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Lelystad Zaaknummer/rekestnummer: 548971 / HA RK 22-251 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 januari 2023 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , (verder te noemen verzoeker), gemachtigde mr. J.H. Weermeijer, te Leiden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het wrakingsverzoek van 29 november 2022, gericht tegen mr. I.L. Rijnbout; de schriftelijke reactie van mr. Rijnbout van 6 december
- 1.
- Het wrakingsverzoek is op 23 december 2022 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en gemachtigde verschenen. Namens de wederpartij in de onderliggende hoofdzaak is mr. E.J.A.A. van Dal verschenen. 2Het wrakingsverzoek 2.
- Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. I.L. Rijnbout als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer/rekestnummer 545133 / HA RK 22-199 (verder: de hoofdzaak). 2.
- Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat uit de handelwijze van de rechter blijkt dat zij vooringenomen is en dat zij verzoeker wil veroordelen. Verzoeker heeft een brief van de rechtbank ontvangen, gedateerd 8 november 2022, waarin staat dat de rechter ernaar streeft op 30 november 2022 uitspraak te doen in de hoofdzaak. Volgens verzoeker kan echter pas worden overgegaan tot het bepalen van een datum voor de uitspraak, als de mondelinge behandeling van de hoofdzaak is gesloten. Dat is nog niet gebeurd. Verzoeker wil in de hoofdzaak nog vragen een datum te bepalen voor het houden van een getuigenverhoor en voor het houden van het pleidooi. 2.
- De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich ten eerste op het standpunt dat het wrakingsverzoek niet tijdig is gedaan. Daarnaast stelt zij dat zij tijdens de mondelinge behandeling van 22 september 2022 duidelijk heeft uitgelegd wat het vervolg van de zaak zou zijn. Als de eerder gedane wraking op 22 september 2022 ongegrond zou worden verklaard, zou zij vonnis wijzen, omdat alles al was besproken. Nadat de partijen aan het woord zijn geweest, heeft de rechter beide partijen gevraagd of zij nog iets naar voren wilden brengen. Verzoeker heeft die gelegenheid gekregen en heeft de rechter toen gewraakt. 3De beoordeling 3.
- Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Op grond van artikel 37 lid 1 Rv moet het wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond(en) tot wraking worden gedaan, waarbij verzoeker een korte tijd voor beraad toekomt. In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedraging van de rechter, te weten de verstuurde brief naar de gemachtigde, dateert namelijk van 8 november 2022, terwijl het wrakingsverzoek pas op 29 november 2022 is ingediend. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij het verzoek niet eerder heeft gedaan. De enkele stelling dat de gemachtigde van verzoeker is verhuisd, is daarvoor, zonder nadere toelichting, onvoldoende. Nu het wrakingsverzoek te laat is ingediend, moet verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard en komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. 4De beslissing De wrakingskamer: 4.
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek; 4.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, en aan de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank; 4.
- bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer/rekestnummer 545133 / HA RK 22-199 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. L.C. Michon en mr. R.M. Berendsen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. J. Broere, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.