← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:1008

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/3296 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M. Tracey), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg). Inleiding Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-uitkering). Het Uwv betaalt de WAO-uitkering als voorschot. Het Uwv beoordeelt achteraf of de inkomsten die eiseres ontving over een periode moet leiden tot het wijzigen van de uitbetaling van de WAO-uitkering. Het Uwv heeft beslist dat de WAO-uitkering van eiser over de maand november 2022 achteraf bezien uitbetaald had moeten worden naar een fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse van 0-15%. Omdat de uitkering is uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%, is er volgens het Uwv een bedrag van € 856,08 bruto te veel WAO-uitkering aan eiser betaald. In het besluit van 13 februari 2023 heeft het Uwv geoordeeld dat eiser € 856,08 moet terugbetalen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 mei 2023 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari

  1. Eiser en de gemachtigde van het Uwv hebben deelgenomen aan de zitting. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen Eiser voert aan dat hij vóór 2022 ook een kerstgratificatie in de vorm van individueel keuzebudget (IKB) ontving. In voorgaande jaren heeft dit echter niet tot een terugvordering geleid. Eiser vindt het daarom onterecht dat een fiscale wijziging per 1 januari 2022 ervoor zorgt dat hij nu zijn WAO-uitkering moet terugbetalen. Het Uwv heeft hierover op de zitting toegelicht dat het Uwv bij bij de berekening van de definitieve WAO-uitkering mag uitgaan van de gegevens die in Suwinet staan. Het Uwv hanteert Suwinet als polisadministratie. Dat de WAO-uitkering vóór 2022 niet is teruggevorderd, is te verklaren doordat het arbeidsvoorwaardenbedrag sinds 1 januari 2022 is opgenomen in het Besluit SUWI. Hieruit blijkt sinds 2022 dat het arbeidsvoorwaardenbedrag ook als loon kan worden gezien als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Hierdoor wordt vanaf 1 januari 2022 het arbeidsvoorwaardenbedrag vermeld in de polisadministratie en meegenomen bij de berekening van de definitieve WAO-uitkering. De rechtbank kan het standpunt van het Uwv volgen. Op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en het Besluit SUWI houdt het Uwv namelijk een polisadministratie bij. De Belastingdienst verstrekt gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwerking van gegevens in de polisadministratie. Hier vallen loongerelateerde gegevens, zoals het arbeidsvoorwaardenbedrag, ook onder. In artikel 16 Wet financiering sociale verzekeringen wordt onder loon verstaan het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting
  2. Het arbeidsvoorwaardebedrag van eiser is belastbaar loon, waardoor het via IKB verkregen bedrag terecht als loon wordt gezien en dus wordt opgenomen in de polisadministratie. De rechtbank heeft verder geen reden om te twijfelen aan de gehanteerde polisadministratie van het Uwv.
  3. Er is verder geen sprake van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvorderding had moeten afzien. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv het bedrag van € 856,08 terecht heeft teruggevorderd. De rechtbank begrijpt dat het oneerlijk voelt voor eiser dat hij nu met een terugvordering wordt geconfronteerd. Maar dat komt dus voort uit het feit dat sinds 2022 het arbeidsvoorwaardebedrag is opgenomen in het Besluit SUWI en dus wordt opgenomen in de polisadministratie. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari
  4. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 33 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 5.1 Besluit SUWI.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.