RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/5118 en 23/5258 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B. Eskes), en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over de twee samenhangende beroepen die eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 13 september 2022 tegen de definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A). Op 31 oktober 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarin hij alleen reageert op het beroep gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit met kenmerk UT-DH5 A. De rechtbank gaat er echter vanuit dat eiseres ook beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar bezwaar gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-DC-I A. Deze uitspraak gaat dan ook over beide beroepen. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
- Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestellingen, te weten bij brief van 17 oktober 2023, de beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaren of meer besluiten op haar bezwaar.
- De beroepen zijn gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
- Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit/of besluiten heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.
- Op 23 augustus 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan over de termijn waarop verweerder alsnog een besluit bekend moet maken in dit soort zaken. In deze uitspraak heeft de Afdeling nadere beslistermijnen vastgesteld die voortaan in beginsel bij beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (op bezwaar) in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen aan verweerder zullen worden gegeven. De rechtbank neemt deze termijnen over en hanteert daarom vanaf 23 augustus 2023 de termijnen die door de Afdeling zijn vastgesteld. In zaken waarin verweerder een besluit op bezwaar moet nemen geldt een nadere beslistermijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift om een besluit op bezwaar bekend te maken. Van deze twaalf weken moeten ten minste zes weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de twaalf weken ten tijde van de uitspraak op het beroep al zijn verstreken of als verweerder geen verweerschrift heeft ingediend, geldt een termijn van zes weken na de dag van verzending van de uitspraak om een besluit op bezwaar bekend te maken.
- De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Dit betekent het volgende.
- Omdat er inmiddels twaalf weken zijn verstreken sinds verweerder het verweerschrift heeft ingediend, stelt de rechtbank de termijn waarop verweerder een besluit op de bezwaren of twee besluiten op bezwaar bekend moet maken op uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak.
- De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Proceskosten en griffierecht
- Omdat de samenhangende beroepen gegrond zijn, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2023 als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 0,
- Toegekend wordt € 218,
- In deze zaken heeft de griffier ten onrechte twee keer griffierecht geheven. De griffier zal het teveel betaalde griffierecht in de zaak UTR 23/5258 aan eiseres terugbetalen. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet verweerder het (overige) door eiseres in de zaak UTR 23/5118 betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk zes weken na de dag van verzending van de uitspraak één besluit op de bezwaren dan wel twee besluiten op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- in de zaak UTR 23/5118 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2023:
- ECLI:NL:RBMNE:2023:
- Artikel 8:41, derde lid, van de Awb