RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/569815 / KL ZA 24-30 Vonnis in kort geding van 25 maart 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M. Booij te Amsterdam, tegen [gedaagde] N.V., te [vestigingsplaats] (Suriname), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.A. Neslo te Almere. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties, van 15 februari 2024; - de akte met producties van [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 11 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [gedaagde] . 2De feiten 2.1. [eiser] is de zoon van [A] en [B] (hierna: de ouders). 2.2. De ouders zijn eigenaar van een perceel grond in Suriname, gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het perceel). 2.3. Tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser] en zijn ouders anderzijds is een geschil ontstaan over de huur van het perceel door [gedaagde] en de bouw en exploitatie van een resort daarop. 2.4. Bij beschikking van 1 oktober 2018 heeft de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo aan [gedaagde] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op het perceel. 2.5. Op 15 oktober 2018 is het conservatoire beslag op het perceel gelegd. 2.6. Op 19 oktober 2018 heeft [gedaagde] tegen [eiser] en zijn ouders een vanwaardeverklaringsprocedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo. In die zaak heeft [gedaagde] primair gevorderd dat het conservatoire beslag op het perceel van waarde wordt verklaard en dat [eiser] en zijn ouders worden veroordeeld tot betaling van € 725.000,00. Subsidiair heeft [gedaagde] veroordeling van [eiser] en zijn ouders gevorderd tot nakoming van de huurovereenkomst met betrekking tot het perceel en betaling van € 26.000,00 aan schadevergoeding. 2.7. Op 13 november 2018 heeft [gedaagde] bij de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo een kort geding aanhangig gemaakt tegen [eiser] en zijn ouders. Daarin heeft [gedaagde] – samengevat – primair gevorderd dat [eiser] en zijn ouders worden veroordeeld tot nakoming van de huurovereenkomst met betrekking tot het perceel en tot betaling van € 270.000,00 aan omzetderving. Subsidiair heeft [gedaagde] betaling van € 725.000,00 aan gedane investeringen en geleden schade en € 270.000,00 aan gederfde omzet gevorderd. 2.8. Bij verzoekschrift van 27 november 2018 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank om verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van [eiser] bij de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bankrekening) en op de woning van [eiser] aan de [adres 2] te [woonplaats] (hierna: de woning). In het verzoekschrift is opgenomen dat voornoemd kort geding als hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv kan worden aangemerkt. 2.9. Bij beschikking van 28 november 2018 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend tot het leggen van de beslagen op de bankrekening en de woning. Omdat op dit moment reeds een in de hoofdzaak aan te merken eis was ingesteld, heeft de voorzieningenrechter geen voorwaarde gesteld voor het instellen daarvan. 2.10. Op 29 november 2018 zijn de conservatoire beslagen op de bankrekening en de woning gelegd. 2.11. Bij vonnis in kort geding van 25 april 2019 heeft de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo de onder overweging 2.7 genoemde vorderingen van [gedaagde] afgewezen. 2.12. Tegen het vonnis in kort geding van 25 april 2019 is door [gedaagde] hoger beroep ingesteld bij het Hof van Justitie te Paramaribo. Tot op heden is in dit hoger beroep nog geen uitspraak gedaan. 2.13. Bij eindvonnis van 14 maart 2023 heeft de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo de onder overweging 2.6 genoemde vorderingen van [gedaagde] afgewezen en is de opheffing gelast van het beslag op het perceel. 2.14. [gedaagde] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 maart 2023. 2.15. Bij e-mail van 1 mei 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd het beslag op de bankrekening en de woning op te heffen. 2.16. Bij e-mail van 1 mei 2023 heeft [gedaagde] laten weten niet mee te werken aan een opheffing van het beslag. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. alle krachtens de beschikking van 28 november 2018 gelegde beslagen op te heffen; II. [gedaagde] te gebieden dit vonnis binnen 24 uur bij het kadaster te doen inschrijven, zulks ter doorhaling van het beslag op de onroerende zaak aan het adres [adres 2] te [woonplaats] , onder verbeurte van een dwangsom; III. [gedaagde] te verbieden de beslagen nogmaals te leggen, onder verbeurte van een dwangsom; IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] – kort gezegd – dat de vorderingen ter verzekering waarvan de conservatoire beslagen op de bankrekening en de woning zijn gelegd, zijn afgewezen. Desondanks weigert [gedaagde] medewerking te verlenen aan de opheffing van de beslagen. 3.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de voorzieningenrechter deze zal afwijzen. Zij baseert haar verweer – kort weergegeven – op de stelling dat er nog lopende procedures zijn, waarbij het aannemelijk is dat [eiser] wordt veroordeeld om op grond van onrechtmatige daad dan wel wanprestatie behoorlijke bedragen aan [gedaagde] te voldoen. Het beslag heeft zijn waarde daarom nog niet verloren. De vrees bestaat dat [eiser] de woning zal vervreemden als het beslag wordt opgeheven. 4De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. Nu [gedaagde] in het buitenland gevestigd is en een rechtspersoon is naar Surinaams recht, en de vordering daarom een internationaal karakter draagt, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en welk recht op dit geschil van toepassing is. 4.2. De (hoofd)vordering van [eiser] strekt tot opheffing van twee conservatoire beslagen. Nu de voorzieningenrechter van de rechtbank te Lelystad voor beide beslagen verlof heeft verleend, is deze voorzieningenrechter ingevolge artikel 705 Rv lid 2 eveneens bevoegd om van de onderhavige vordering tot opheffing kennis te nemen. 4.3. Op de onderhavige vorderingen is het Nederlands (proces)recht van toepassing, nu de door [gedaagde] gelegde beslagen in Nederland, naar verkregen verlof door de Nederlandse rechter en volgens Nederlands (proces)recht zijn gelegd. Spoedeisend belang 4.4. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is een spoedeisend belang vereist. Hiervan is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onverwijlde voorziening geboden is en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. 4.5. De aanwezigheid van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is door [gedaagde] niet betwist. Dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, die erop neerkomen dat de beslagen op zijn bankrekening en woning worden opgeheven, is de voorzieningenrechter voldoende gebleken. Vervallen van het beslag 4.6. Conservatoir beslag leidt tot een voorlopige toestand. Als in de procedure waarin de toetsing plaatsvindt van de grondslag en omvang van het door de beslaglegger ingeroepen vorderingsrecht (de eis in de hoofdzaak), dit vorderingsrecht is afgewezen en deze afwijzing onherroepelijk is geworden (in kracht van gewijsde is gegaan), dan vervalt het conservatoire beslag op grond van artikel 704 lid 2 Rv van rechtswege. 4.7. Allereerst moet beoordeeld worden wat de vordering behelst ter verzekering waarvan het conservatoire beslag is gelegd. 4.8. In het beslagrekest is – samengevat – het volgende opgenomen. [gedaagde] heeft op het perceel een resort gerealiseerd en is gerechtigd tot het gebruik daarvan op grond van een (mondeling) met de ouders van [eiser] gesloten huurovereenkomst. Bij de totstandkoming van deze huurovereenkomst is [eiser] als gevolmachtigde van zijn ouders opgetreden. [eiser] ontzegt [gedaagde] echter de toegang tot het perceel en weigert de schriftelijke huurovereenkomst te tekenen. [eiser] handelt daardoor onrechtmatig jegens [gedaagde] . [gedaagde] leidt hierdoor schade. Deze schade bestaat uit de winst die zij misloopt nu zij het resort niet kan exploiteren. Voor zover niet zou komen vast te staan dat er sprake is van een huurovereenkomst, dan bestaat de schade uit de investeringen die [gedaagde] heeft gedaan in op het perceel. De vordering is in het beslagverlof begroot op € 725.000,00. 4.9. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke procedure als eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 704 lid 2 Rv heeft te gelden. Een eis in de hoofdzaak kan ook worden ingesteld in het buitenland. Ook het instellen van een vordering in kort geding kan gelden als het instellen van een eis in de hoofdzaak. In deze zaak komen twee procedures in aanmerking voor de kwalificatie van eis in de hoofdzaak, namelijk de vanwaardeverklaringsprocedure (bodemprocedure) van 19 oktober 2018 en de kortgedingprocedure van 13 november 2018. Beide procedures waren reeds aanhangig op het moment van het indienen van het beslagrekest. De kwalificatie als hoofdzaak heeft verstrekkende gevolgen. Wanneer de kortgedingprocedure als hoofdzaak geldt, zoals [gedaagde] kennelijk meent, dan is het beslag niet vervallen omdat in die zaak nog een hoger beroep loopt en de afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] dus nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Wordt echter de vanwaardeverklaringsprocedure als hoofdzaak aangemerkt, dan is het beslag wel vervallen omdat in die zaak tegen de afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] geen hoger beroep is ingesteld. 4.10. De vanwaardeverklaringsprocedure is aanhangig gemaakt naar aanleiding van het gelegde beslag op het perceel in Suriname. In deze procedure heeft [gedaagde] primair betaling van € 725.000,00 gevorderd en subsidiair nakoming van de huurovereenkomst en betaling van € 26.000,00 aan schadevergoeding. [gedaagde] baseerde deze vorderingen op 1) onrechtmatige daad en de investeringen die zij in het perceel heeft gedaan en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.