Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2024:1822
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/4186 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: E.J.M.J. Houben), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde (gemachtigde: mr. P.H.J. de Jonge).
Inleiding 1. Eiser is eigenaar van de recreatiewoning aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel) op ‘ [recreatiepark] ’. Op 21 oktober 2021 heeft het college vastgesteld dat in de recreatiewoning op het perceel vier personen met de Spaanse of Portugese nationaliteit verblijven, die op het punt stonden naar hun werk te gaan. Deze personen hebben verklaard werkzaam te zijn voor een Spaanse onderneming, ze voerden een project uit voor [bedrijf] . Zij huurden de woning voor één maand via AirBnB. Hierna worden nog een drietal controles uitgevoerd. Op 17 november 2022 heeft het college aan eiser meegedeeld dat hij het voornemen heeft om handhavend op te treden met een last onder bestuursdwang. Eiser heeft hierop geen zienswijze ingediend.
1.1.
Op 17 maart 2023 heeft het college aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd om het (laten) gebruiken van de recreatiewoning aan de [adres 1] te [plaats] ten behoeve van niet-recreatief gebruik te beëindigen en beëindigd te houden. Eiser heeft hiervoor een termijn van vier weken gekregen. Als niet aan de last wordt voldaan, wordt de recreatiewoning voor drie maanden afgesloten en verzegeld. Eiser is het niet eens met de last onder bestuursdwang en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 19 juli 2023 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder bestuursdwang in stand gelaten. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank 2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum een bestuurlijke sanctie is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
Toetsingskader 5. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor de enkelbestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatief (nacht)verblijf in recreatiewoningen. Recreatief verblijf is gedefinieerd als ‘verblijf voor recreatie door bij voorkeur wisselende gezinnen of daarmee gelijkstaande personen of groepen van personen, die hun vaste woon- en verblijf plaats elders hebben’. Een recreatiewoning is ‘een gebouw, geen stacaravan zijnde, al dan niet met vaste fundering, dat dient als recreatief verblijf, waarvan de gebruikers hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben’. Het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning, op gronden met de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ is niet toegestaan. Onder ‘permanente bewoning’ wordt verstaan ‘bewoning van een verblijf als hoofdverblijf’.
Heeft het college zich mogen baseren op de controlerapporten?
Hoe zit het met de identificatie en het binnentreden?
Had de tolkenlijn gebruikt moeten worden?
Tussenconclusie 13. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich bij het nemen van het bestreden mocht baseren op de controlerapporten.
Is sprake van een overtreding?
15.1.
Uit het controlerapport van 21 oktober 2021 blijkt onder andere dat de toezichthouders om 6.15 uur een wit busje met Spaans kenteken op de oprit van de recreatiewoning op het perceel aantreffen. De gordijnen zijn open en er zijn mensen op. Twee mannen in donkere werkkleding doen open. Desgevraagd verklaren de mannen dat zij op het punt stonden naar hun werk te gaan. Zij werken voor een Spaanse onderneming en voeren in de regio een opdracht uit bij [bedrijf] . Zij verblijven hier in principe voor de duur van een maand.
15.2.
Uit het controlerapport van 14 maart 2023 blijkt onder andere dat de toezichthouders om 7:07 uur een busje en een personenauto, beide met Pools kenteken, op de oprit van de recreatiewoning op het perceel aantreffen. Uit dit rapport blijkt dat de toezichthouders een Poolse man, de heer [A] , in het Engels hebben gesproken. Op de vraag naar de reden van zijn verblijf, geeft de heer [A] aan hier voor ‘holiday’ te zijn, hij verblijft hier een maand en vertrekt aan het einde van de maand. Hij ontkent hier werkzaamheden te verrichten. Uit het controlerapport volgt verder dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat het afgelopen half jaar opvallend vaak (veelal) Poolse arbeidsmigranten op [recreatiepark] verblijven vanwege werkzaamheden voor [bedrijf] . De toezichthouder heeft de heer [A] nagetrokken op LinkedIn en hij blijkt werkzaam te zijn als project coördinator bij [bedrijf] . Op zijn profiel vermeldt hij dat hij in de periode december 2021 tot heden (onder meer) projecten in Nederland heeft gedaan.
15.3.
De toezichthouders voeren op 14 maart 2023 ook een controle uit bij de recreatiewoning aan de [adres 2] . Uit dit controlerapport blijkt dat de toezichthouders een Poolse man, die voor deze woning in een voertuig zit, in het Engels hebben gesproken. De man vertelt dat hij al van het een en ander op de hoogte is, omdat hij zojuist zijn baas (‘boss’) aan de telefoon had. Op de vraag of zijn baas ook op dit park verblijft, antwoord de man dat de baas in recreatiewoning [adres 1] zit. Hij bevestigt dat zijn baas de heer [A] is. Op de vraag van de toezichthouders naar de reden van zijn verblijf, heeft deze man geantwoord werkzaamheden in de regio te verrichten voor het bedrijf [bedrijf] . De man legt uit dat hij collega’s heeft zitten in diverse woningen op dit recreatiepark, die allemaal voor [bedrijf] werken.
Is handhavend optreden onevenredig?
Daarbij is van belang dat eiser ook nadat het college aan hem het voornemen tot het opleggen van de last onder bestuursdwang bekend had gemaakt nieuwe arbeidsmigranten heeft gehuisvest in de recreatiewoning. Zoals het college op de zitting heeft toegelicht blijkt de noodzaak ook uit het feit dat de verhuur aan arbeidsmigranten op het recreatiepark al jaren een hardnekkig probleem is en al tot vele procedures heeft geleid. In het verleden heeft het college eerst lasten onder dwangsom opgelegd om de verhuur van recreatiewoningen aan arbeidsmigranten tegen te gaan. Eerst voor een bedrag van € 5.000,-, toen dat niet het beoogde effect had is de dwangsom verhoogd naar € 25.000,-. Ook dat had onvoldoende effect.
Sinds 2018 hanteert het college een gedragslijn en wordt een last onder bestuursdwang opgelegd. In dit verband is verder van belang dat niet is gebleken dat de last niet evenwichtig is. Het verbod op niet-recreatief verblijf geldt immers voor iedereen en niet alleen voor eiser en wordt in beginsel ook ten aanzien van iedereen gehandhaafd. Dat eiser financiële gevolgen ondervindt van de last leidt niet zonder meer tot de conclusie dat handhavend optreden onevenredig is. Eiser had deze gevolgen bovendien kunnen voorkomen, door de recreatiewoning niet te laten gebruiken voor niet-recreatieve doeleinden.
Conclusie en gevolgen 22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2024.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan.
Zie artikelen 1.24 en 1.25 van de planregels van het bestemmingsplan.
Artikel 3.4.1 in samenhang met artikel 1.22 van de planregels van het bestemmingsplan.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5696.
Artikel 2.1, lid 1 onder c. van de Wabo in samenhang met afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3737.
Uit artikel 5:12 van de Awb volgt dat de toezichthouder desgevraagd zijn legitimatiebewijs moet tonen. Bij binnentreden is de toezichthouder verplicht zich te legitimeren (zie artikel 1, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden) Dit volgt uit artikel 5:16a van de Awb.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ELCI:NL:RVS:2022:334. zie randnummer 15.1 van deze uitspraak.
Zie randnummer 15.2 van deze uitspraak.
Zie randnummer 15.3 van deze uitspraak.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1613.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4142.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2009, ECLI:NL:2009:BJ4622.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1259.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2947.