RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/4764 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. R. Grijpstra), en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ). Inleiding Eiseres heeft beroep ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 8 mei 2023 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft vervolgens op 3 januari 2024 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen richt zich nu ook tegen dat besluit. Op 18 oktober 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Verweerder heeft aan eiseres in zijn besluit van 3 juni 2021 een bedrag van € 30.000,- toegekend op grond van de Catshuisregeling (de lichte toets). Eiseres stelt dat zij dit bedrag wel, maar het besluit niet heeft ontvangen en zij heeft op 8 mei 2023 alsnog bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Omdat verweerder niet op tijd op het bezwaar heeft beslist, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. 3. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. 4. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij/zij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. 5. Eiseres heeft in het besluit van 3 juni 2021 in het kader van de Catshuisregeling het compensatiebedrag van € 30.000,- ontvangen. Op grond van deze regeling kan niet meer compensatie worden verkregen. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk waarom eiser op 23 mei 2023 tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt. De reden hiervan moet worden gevonden in de bezwaargronden. Hierin staat het volgende vermeld:‘Belanghebbende (verw)acht (dat) deze beschikking in strijd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.