RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere Vonnis van 6 maart 2024 in de zaak met zaaknummer: 10862306 MC EXPL 24-41 JD/51246 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigden: mr. G.R.G. Driessen en mr. N. Braamburg, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 december 2023 tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met 15 producties; - de e-mail van mr. C.P.M. Kerkers van 5 februari 2024; - de e-mail van mr. Braamburg van 4 maart
- 2Het geschil en de beoordeling 2.
- [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 67.464,47 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Verder vordert [eiseres] betaling van een contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 2.
- Bij dagvaarding heeft [eiseres] ook ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] gevorderd. Daarnaast heeft zij een (provisionele) vordering ingesteld tot ontruiming van de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte aan het adres [adres] in [vestigingsplaats 2] , op straffe van een dwangsom. Uit de e-mails van 5 februari 2024 en 4 maart 2024 begrijpt de kantonrechter dat de huurovereenkomst met machtiging van de rechtercommissaris is opgezegd en dat [gedaagde] de bedrijfsruimte reeds aan [eiseres] heeft opgeleverd. Bij e-mail van 4 maart 2024 verzoekt [eiseres] de zaak op grond van artikel 29 van de Faillissementswet (hierna: Fw) te schorsen. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat [eiseres] de gevorderde ontbinding en de (provisionele) vordering tot ontruiming niet langer wenst te handhaven. 2.
- Gebleken is dat bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, uitgesproken op 30 januari 2024, ten aanzien van [gedaagde] het faillissement is uitgesproken met benoeming van mr. C.P.M. Kerkers tot curator. 2.
- De vorderingen van [eiseres] (tot betaling van de huurachterstand, de wettelijke handelsrente, de contractuele boete en de buitengerechtelijke incassokosten) hebben betrekking op nakoming van een verbintenis uit de boedel. Dat betekent dat het geding op grond van artikel 29 Fw wordt geschorst. [eiseres] kan haar vorderingen aanmelden ter verificatie. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- verstaat dat het geding is geschorst op grond van artikel 29 Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.