RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/039893-22 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 18 april 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] te [woonplaats] , hierna te noemen: verdachte 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 1 juni 2022 (pro forma), 11 oktober 2022 (regie), 14 februari (inhoudelijke behandeling) en 4 april 2024 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting). De rechtbank heeft bij de inhoudelijke behandeling kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A.E. Lohuis en mr. A.J.M. Vreekamp (hierna tezamen genoemd: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en haar raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de terechtzitting van 14 februari 2024 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] en/of [plaats] en/of Rotterdam heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het vervaardigen van methamfetamine; feit 2 – primair in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] (in een woning en/of een schuur) in vereniging methamfetamine heeft vervaardigd; feit 2 – subsidiair in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] (in een woning en/of een schuur) behulpzaam is geweest bij het vervaardigen van methamfetamine door producten en/of voorwerpen en/of stoffen te verplaatsen en te helpen bij het opruimen; feit 3 op 15 februari 2022 te [woonplaats] in vereniging ongeveer 25,45 kilogram en/of 2,99 kilogram en/of 78,1 kilogram en/of 280,85 liter methamfetamine (HCI) opzettelijk aanwezig heeft gehad; feit 4 – primair in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] (in een woning en/of een schuur) in vereniging en ter voorbereiding van het vervaardigen van methamfetamine voorwerpen en/of chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden heeft gehad; feit 4 – subsidiair in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] (in een woning en/of een schuur) behulpzaam is geweest bij de voorbereiding van het vervaardigen van methamfetamine door in die periode producten en/of voorwerpen en/of stoffen te verplaatsen en te helpen bij het opruimen. feit 5 op 15 februari 2022 te [woonplaats] in vereniging een bedrag van € 1135,- en/of € 325,- en/of € 2580,- euro en/of € 2500,- voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist of had moeten vermoeden dat deze voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Inleiding Op 15 februari 2022 heeft de politie in drie woningen te [woonplaats] doorzoekingen gedaan, te weten aan de [adres 2] , de [adres 3] en de [adres 4] . In de woning aan de [adres 2] en de bijbehorende schuur is een groot aantal voorwerpen en grondstoffen voor de vervaardiging van methamfetamine aangetroffen en ook een grote hoeveelheid methamfetamine in verschillende stadia van de productie. Ook bij de woning aan de [adres 3] is een grote hoeveelheid methamfetamine aangetroffen. Er zijn die dag in totaal negen verdachten aangehouden, waaronder verdachte. Alle negen verdachten staan in familiair- of relationeel verband tot elkaar. Op 23 februari 2022 is ook een loods aan de [adres 5] in [plaats] doorzocht. In deze loods is eveneens een hoeveelheid methamfetamine gevonden, alsmede voorwerpen die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van drugs. De huurder van deze loods is eveneens aangehouden. Op 2 mei en 12 september 2022 zijn nog twee medeverdachten aangehouden in respectievelijk Klaaswaal en Rotterdam. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, dat verdachte samen met anderen methamfetamine heeft vervaardigd en aanwezig heeft gehad en tot slot dat zij samen met anderen ter voorbereiding van het vervaardigen van methamfetamine voorwerpen en chemicaliën voorhanden heeft gehad. De officier van justitie heeft gevraagd om verdachte vrij te spreken van het witwassen. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten, zodat zij integraal vrijgesproken dient te worden. Verdachte heeft op geen enkele wijze een bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het vermeende criminele samenwerkingsverband. Er is geen bewijs dat verdachte concrete handelingen heeft verricht bij de productie van methamfetamine in [woonplaats] . Dat zij zo nu en dan op de camerabeelden is te zien met een vuilniszak in haar hand, zonder dat bekend is wat de inhoud van die vuilniszak was, levert geen bewijs op voor het medeplegen van het vervaardigen van methamfetamine. Verdachte kwam regelmatig in de woning van haar moeder aan de [adres 2] in [woonplaats] waar zij soms ook bleef slapen. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter niet dat zij ook daadwerkelijk wetenschap had van de aanwezigheid van methamfetamine in de woning en dat zij daarover kon beschikken. Verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het treffen van voorbereidingshandelingen op grond waarvan kan worden gezegd dat zij nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt. Tot slot heeft verdachte met betrekking tot de genoemde geldbedragen geen handelingen verricht die als witwassen gekwalificeerd kunnen worden. 4.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. Verdachte verbleef na haar scheiding en een kort verblijf in een tijdelijke woning sinds augustus 2021 op regelmatige basis in de woning van haar moeder, medeverdachte [medeverdachte 1] , aan de [adres 2] te [woonplaats] . Haar spullen waren aldaar opgeslagen en hier woonde sinds begin 2021 ook haar destijds 4-jarige dochter Zij was vrijwel dagelijks in de woning, mede om haar dochter naar school te brengen. De slaapkamer van verdachte bevond zich op de eerste etage van de woning. Verdachte zou samen met haar dochter op 24 februari 2022 een nieuwe woning in [woonplaats] betrekken. ten aanzien van feit 1 – vrijspraak Verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het vervaardigen van methamfetamine. De rechtbank heeft op basis van het dossier niet de overtuiging gekregen dat verdachte heeft deelgenomen aan de door de officier van justitie gestelde criminele organisatie, die zich bezighield met het vervaardigen van methamfetamine. In de periode van 27 december 2021 tot en met 15 februari 2022 is verdachte verschillende keren te zien op de camerabeelden rondom de woning aan de [adres 2] . Vaak is te zien dat zij – al dan niet in gezelschap van haar dochter – de woning verlaat of de woning binnengaat. Een aantal keren is verdachte te zien terwijl zij met een krat in haar hand van de schuur naar de woning loopt of met een vuilniszak of een tas in haar hand de woning verlaat. Het is niet bekend wat er in de vuilniszak of tas zat. Uitgaande van het bestaan van het door de officier van justitie geschetste samenwerkings-verband, kunnen deze gedragingen van verdachte, noch op zichzelf noch in onderling verband bezien, als gedragingen worden beschouwd die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, in dit geval, het vervaardigen van methamfetamine. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van wat onder feit 1 aan haar ten laste is gelegd. ten aanzien van feit 2 – primair en subsidiair – vrijspraak Verdachte wordt primair verweten dat zij in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] in vereniging methamfetamine heeft vervaardigd. Subsidiair wordt haar verweten dat zij bij het vervaardigen van methamfetamine opzettelijk behulpzaam is geweest in de vorm van het opruimen en schoonmaken van de productielocatie Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarvan is sprake als de intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechtbank heeft op basis van het dossier niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van methamfetamine of hieraan een bijdrage heeft geleverd. De rechtbank kan, op basis van met name de appberichten in het dossier (p. 1309 en 1310) en de omstandigheid dat zij regelmatig verbleef in de slaapkamer naast het lab, zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte wist dat haar broer, [medeverdachte 2] , zich bezighield met het vervaardigen van methamfetamine in de woning van hun moeder. Maar die enkele wetenschap maakt niet dat zij een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het vervaardigen van methamfetamine. Op basis van de onder feit 1 beschreven gedragingen van verdachte op de camerabeelden, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat die zijn gerelateerd aan het vervaardigen van methamfetamine. Deze gedragingen (het dragen van een tas, vuilniszak, krat) zijn niet van dien aard dat kan worden gezegd dat verdachte daarmee een bijdrage - in welke vorm dan ook – heeft geleverd aan het vervaardigen van methamfetamine, die van voldoende gewicht was voor de vaststelling van medeplegen. Zij kunnen immers ook passen in het scenario dat verdachte bezig was met het opruimen en verhuizen van haar eigen spullen. Van belang daarbij is dat het niet gaat om voorwerpen die specifiek zijn gerelateerd aan het vervaardigen van methamafetamine zoals een vat, ketel, centrifuge of koelbox. Er zijn op de beelden ook geen andere gedragingen van verdachte zichtbaar, die er op duiden dat zij een bijdrage heeft geleverd aan het vervaardigen van methamfetamine. In de slaapkamer van de woning [adres 2] die als laboratorium was ingericht, is onder het bed een blikje aangetroffen waarop biologische sporen zijn gevonden die overeenkomen met het DNA van verdachte. De rechtbank kan niet vaststellen dat het blikje daar terecht is gekomen in de periode dat die kamer werd gebruikt voor de vervaardiging van methamfetamine. Ook de overeenkomst van haar DNA met het mengprofiel dat op één van de zogenaamde Alaska-bakjes is gevonden, vindt de rechtbank onvoldoende redengevend gelet op haar regelmatige verblijf in de woning van haar moeder. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk behulpzaam zijn (bij het vervaardigen van methamfetamine) is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het behulpzaam zijn als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat de (op basis van de camerabeelden vastgestelde) gedragingen van verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als gedragingen die zien op het opruimen en schoonmaken van de productiefaciliteit. Het enkele feit dat verdachte met een krat in de hand en/of met een vuilniszak de woning verlaat (zonder dat bekend is wat de inhoud is van deze vuilniszak) is onvoldoende voor het bewijs dat zij opzettelijk behulpzaam is geweest bij het vervaardigen van methamfetamine. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 zowel primair als subsidiair ten laste gelegde. ten aanzien van feit 3 Verdachte wordt verweten op 15 februari 2022 te [woonplaats] - in vereniging - de volgende hoeveelheden methamfetamine opzettelijk aanwezig te hebben gehad: 78,1 kilogram, 280,85 liter, 25,45 kilogram en 2,99 kilogram. Van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Verder is vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. De rechtbank is van oordeel dat - voor zover al kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van methamfetamine op 15 februari 2022 in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] en/of in de woning aan de [adres 3] te [woonplaats] – uit het dossier niet blijkt dat zij feitelijk over de methamfetamine kon beschikken. Het enkele feit dat zij op 15 februari 2022 aanwezig is geweest in de woning aan de [adres 2] maakt niet dat zij kon beschikken over de methamfetamine. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van wat onder feit 3 aan haar ten laste is gelegd. ten aanzien van feit 4 – primair en subsidiair Verdachte wordt primair verweten dat zij in de periode van 27 juli 2020 tot en met 15 februari 2022 te [woonplaats] voorwerpen en/of chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden heeft gehad, bestemd voor het vervaardigen van methamfetamine. Subsidiair wordt haar verweten dat zij hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest door te ondersteunen bij het verplaatsen/dragen van producten en/of voorwerpen en/of stoffen en/of te helpen bij het opruimen en/of schoonmaken ten behoeve van de productiefaciliteit aldaar; Op grond van artikel 10a van de Opiumwet wordt strafbaar gesteld opzettelijke voorbereiding en bevordering gericht op, voor zover in deze zaak van belang, het vervaardigen van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank stelt voorop dat van “voorhanden hebben” als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet sprake is als verdachte feitelijke macht over voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Die voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van “voorhanden hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen aan de verdachte toebehoren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid. Vereist is voorts wetenschap dan wel het ernstig vermoeden dat de voorwerpen bestemd zijn tot het plegen van een van de misdrijven, als bedoeld in artikel 10 lid 4 of 5 van de Opiumwet. De bestemming zal uit alle van belang zijnde omstandigheden kunnen worden afgeleid. De rechtbank kan niet vaststellen dat de voorwerpen waarmee verdachte zichtbaar is op de camerabeelden, te weten een krat en een of meerdere vuilniszakken, bestemd waren voor het vervaardigen van methamfetamine. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet zijn te beschouwen als opruimen dan wel schoonmaken van de productiefaciliteit. Hieruit volgt dat verdachte zal worden vrijgesproken van wat onder feit 4 – zowel primair als subsidiair – aan haar ten laste is gelegd. ten aanzien van feit 5 De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Dit leidt tot de slotsom dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van alle aan haar ten laste gelegde feiten. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal het op 2 juni 2022 geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 5BESLAG De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de onder haar in beslag genomen voorwerpen, te weten: - PL0900-2021378889-G2948450: 1 paar schoenen; - PL0900-2021378889-G2948451: Kleding; - PL0900-2021378889-G2948464: Witte telefoon Oppo CPH1931 . 6BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Voorlopige hechtenis heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis Beslag gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen: o PL0900-2021378889-G2948450: 1 paar schoenen; o PL0900-2021378889-G2948451: Kleding; o PL0900-2021378889-G2948464: Witte telefoon Oppo CPH
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.