RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 23/2076 (voorlopige voorziening) en UTR 23/2188 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2024 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], verzoeker/eiser (gemachtigde: mr. M.M. Breukers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigden: mr. J. van Vulpen, mr. L.A. Sluiter en mr. E.J.B. Rooke). Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [A] en [B] (gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen) Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening en op het beroep van verzoeker/eiser (hierna: eiser) tegen het besluit van 21 april 2023 op zijn bezwaar tegen de beslissing (het bestreden besluit) op zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), thans de Wet open overheid (Woo). 1.1. Verweerder heeft dat Wob-verzoek met de primaire deelbesluiten van 16 juli 2020, 30 september 2020 en 22 oktober 2020 gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 27 september 2022 heeft verweerder dit bezwaar niet ontvankelijk verklaard, waarna eiser in beroep is gegaan bij deze rechtbank. Tijdens de zitting in dat beroep bij deze rechtbank heeft verweerder het besluit van 27 september 2022 ingetrokken, waarna de rechtbank het beroep niet ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser gezien de intrekking van het besluit geen belang meer had bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. 1.2. Met het onderhavige bestreden besluit van 21 april 2023 heeft verweerder nogmaals op het bezwaar van eiser beslist en meer documenten openbaar gemaakt en voor het overige de primaire deelbesluiten gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 23/2188). 1.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Het verzoek was geagendeerd voor behandeling op de zitting van 22 september 2023. Kort voor deze zitting heeft een gemachtigde van andere belanghebbenden zich in deze procedure gemeld. De voorzieningenrechter heeft hen voorlopig als derde-partijen aangemerkt. 1.5. De voorzieningenrechter heeft in het kader van de regievoering bij brieven van 26 september 2023 en 19 oktober 2023 verweerder verzocht om de geheel en gedeeltelijk geweigerde Wob/Woo-documenten onder te verdelen in documenten die zien op [adres 1], documenten die zien op [adres 2] en documenten die op zien op [adres 1]/[adres 2] samen en om de van al die documenten inventarislijsten met de weigeringsgronden aan te leveren. 1.6. Verweerder heeft bij brieven van 9 en 26 oktober 2023 en aangevuld met de brief van 13 december 2023, de gevraagde documenten en inventarislijsten overgelegd. 1.7. Eiser en de voorlopig als derde-partijen aanmerkte belanghebbenden zijn op 18 december 2023 in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. 1.8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder. 1.9 De voorlopig als derde-partijen aanmerkte belanghebbenden hebben geen schriftelijke reactie gegeven en zijn ook niet op de nieuw ingeplande zitting verschenen. De voorzieningenrechter merkt hen daarom niet verder aan als derde-partijen in deze zaak. 1.10 Eiser heeft op 11 maart 2024 nog een nader stuk overgelegd. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om het onderzoek in deze zaak te heropenen en laat dit stuk bij de verdere beoordeling buiten beschouwing. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op de beroepen van eisers. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Wob-verzoek 3. Eiser heeft op 20 mei 2020 ter voorbereiding op een hoorzitting in een vijftal andere op dat moment lopende zaken verweerder verzocht om toezending van alle stukken die betrekking hebben op [adres 1] en [adres 2], waaronder: - alle correspondentie van betrokken ambtenaren met inbegrip van e-mails vergadernotulen, rapportages en inhoud van dossiers die betrekking hebben op [adres 1] en [adres 2]; - alle stukken die betrekking hebben op het goede samenwerkingsverband tussen eigenaren van de [adres 2] en de gemeente [woonplaats] zoals op de zitting van 4 februari 2020 van de voorzieningenrechter Midden Nederland is benoemd. Eiser heeft verzocht om deze stukken aan hem te openbaren en die uiterlijk twee weken voor de hoorzitting toe te sturen. Voor zover nodig heeft eiser verzocht dit verzoek als een Wob-verzoek te beschouwen. 4. Verweerder heeft bij de zoekslag naar de gevraagde informatie 925 documenten aangetroffen. Vanwege de omvang van het verzoek heeft verweerder drie deelbesluiten genomen. In het deelbesluit van 16 juli 2020 heeft verweerder documenten (gedeeltelijk) openbaargemaakt over het e-mailcontact tussen ambtenaren, de vergadernotulen, de rapportages en de inhoud van de bezwaardossiers. Daarbij heeft verweerder openbaarmaking van de namen van ambtenaren en namen van derden geweigerd. In het deelbesluit van 30 september 2020 heeft verweerder diverse documenten openbaar gemaakt van ambtenaren en natuurlijke personen, met uitzondering van hun persoonsgegevens en van vertrouwelijk gedeelde informatie waardoor een betrokkene kan worden benadeeld. In het deelbesluit van 21 oktober 2020 heeft verweerder nog meer documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegevens, vertrouwelijk gedeelde informatie van melders/klagers die daardoor kunnen worden benadeeld en persoonlijke beleidsopvattingen opgesteld ten behoeve van intern beraad. Het bestreden besluit 5. Verweerder heeft in het bestreden besluit de drie deelbesluiten gehandhaafd en daarbij meer documenten openbaar gemaakt. Verweerder heeft openbaarmaking van de documenten geheel of gedeeltelijk geweigerd op grond van de artikelen 5.1, eerste lid en onder c, artikel 5.1, tweede lid, onder e en i, van de Woo en artikel 5.2 van de Woo. Verweerder heeft openbaarmaking van de adresgegevens [adres 1] en [adres 2] geweigerd voor zover die gegevens zijn vermeld in de context ‘woonachtig te’ (dus als persoonsgegevens). Voor zover die adresgegevens zijn vermeld als objectgegevens in de context van het Wob-verzoek, heeft verweerder die wel openbaar gemaakt. Verweerder heeft de (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten via Pleio met een digitale link aan eiser verstrekt en deze ook middels publicatie op de gemeentelijke website voor een ieder openbaar gemaakt. Verweerder heeft deze publicatie op verzoek van eiser nadien verwijderd in afwachting van de uitkomst van deze procedure. Voor zover informatie in de stukken dubbel voorkomt en reeds openbaar is gemaakt, heeft verweerder openbaarmaking achterwege gelaten. Omdat er meer documenten zijn aangetroffen dan bij de deelbesluiten, heeft verweerder de proceskosten van eiser in bewaar vergoedt. Gronden beroep 6. Eiser voert in beroep – zoals ter zitting toegelicht - primair aan dat hij nimmer heeft verzocht om de documenten op de gemeentelijke website te zetten, maar alleen om de gevraagde documenten per e-mail aan hem te openbaren conform artikel 2.4, derde lid, en 4.5, eerste lid, van de Wob. De documenten mogen daarom niet op de website van verweerder gezet worden en niet openbaar gemaakt worden. 7. Eiser voert verder – zoals ter zitting toegelicht – subsidiair aan dat zijn privacybelang wordt geschonden als de documenten met de adresgegevens [adres 1], [adres 3] en [adres 2] openbaar worden gemaakt op internet (website gemeente). Deze gegevens moeten gelakt worden. Eiser licht toe dat in zijn privéleven, doordat hij vanwege de grote bedragen aan toegekende gemeentelijke dwangsommen, wordt lastiggevallen door de media. Een zoekopdracht in Google met [adres 1] leidt direct naar ‘[wob/woo-verzoek] met betrekking tot een eerder Wob/Woo-verzoek van verzoeker en naar een raadsbrief waarin de dwangsommen worden genoemd. Daarmee is het adres [adres 1] eenvoudig te koppelen aan dwangsommen. Dat eiser feitelijk niet in het pand woont, is niet van belang. Daarbij heeft eiser nog diverse rechterlijke procedures lopen. Volgens eiser moet daarom zijn privacybelang zwaarder wegen dan het belang van openbaarmaking aan eenieder van deze gegevens. Daarbij kan verweerder er ook voor kiezen om de adressen gecodeerd weer te geven, bijv. als adres 1 en adres 2. Voor de leesbaarheid is niet vereist dat de lezer bekend is met het eigenlijke adres. Openbaarmaking van de volledige adresgegevens om te weten om welke panden het gaat en wie de eigenaar is, dient volgens eiser geen enkel publiek belang. Bovendien is deze informatie direct te achterhalen via kadaster.nl. Ook met de openbaarmaking van de foto’s is het adres te achterhalen. Nu het adres [adres 1] als (indirect) persoonsgegeven is te herleiden tot eiser, moet deze informatie worden gelakt op grond van het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo, alvorens de documenten te openbaren. Dit geldt eens te meer gezien het beleid van verweerder ten aanzien van het publiceren van persoonsgegevens en meer in het bijzonder van huisadressen in het kader van een Wob/Woo-verzoek. 8. Eiser voert tot slot aan de verweerder de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid onder i, van de Woo (goed functioneren van de overheid) en artikel 5.2 van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad) niet op juiste wijze heeft toegepast. 9. Verweerder heeft de Woo-documenten en de daarbij horende inventarislijsten overgelegd. 10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiser om de stukken per mail te openbaren ziet op de toezendingswijze aan eiser, maar niet op de vorm waarin die documenten toegankelijk gemaakt moeten worden voor de belangstellende burger. Nu eiser zelf op grond van de Wob heeft verzocht om openbaarmaking van informatie over [adres 1] en [adres 2] staat het privacybelang van eiser volgens verweerder niet aan openbaarmaking in de weg, althans weegt het algemene belang tot openbaarmaking zwaarder. Bovendien is het adres van eiser al in andere procedures openbaar gemaakt door publicatie op de website en ook door de publiciteit in de media rondom het pand en de verbeurde dwangsommen. Volgens verweerder is er daarom geen actueel en concreet belang meer dat zich tegen openbaarmaking verzet. De vermelding van het huisnummer van het pand [adres 1] is ook in overeenstemming met het beleid zoals vermeld op de gemeente website over Wob/Woo-verzoeken. Nu eiser feitelijk niet op het adres [adres 1] woont en daar blijkens de registratie bij de Kamer van Koophandel alleen bedrijven zijn gevestigd, valt het adres niet onder categorie A (gegevens van burgers) maar onder categorie B (gegevens van bedrijven en andere organisaties). Hiervoor geldt dat algemene contactgegevens van het bedrijf (adres, email en telefoon) openbaar worden gemaakt. Foto’s van het pand in de openbaar te maken stukken hebben voor het achterhalen geen toegevoegde waarde. Verweerder ziet niet in op welke wijze openbaarmaking van de documenten inclusief adressen, effect heeft op de nog lopende juridische procedures en op welke wijze het privacybelang van eiser daarbij een rol speelt. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid onder i, van de Woo (goed functioneren van de overheid) en artikel 5.2 van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad) op juiste wijze zijn toegepast. Toetsingskader 11. De Woo is per 1 mei 2022 in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. Dit betekent dat alhoewel eiser zijn verzoek vóór de inwerkingtreding van de Woo heeft ingediend, verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op de Woo en de rechtbank onderhavig beroep ook op basis van de Woo zal beoordelen. Is sprake van een Woo-verzoek? 12. De voorzieningenrechter ziet, gelet op wat eiser op de zitting naar voren heeft gebracht, aanleiding om eerst te beoordelen of het verzoek van eiser om informatie is te kwalificeren als een Woo-verzoek. 13. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in een uitspraak van 20 mei 2020 - voor zover hier van belang - het volgende overwogen: “Hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob (lees nu: de Woo) een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.