RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/2719-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2024 op het verzet van [opposant], te [woonplaats], opposant. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend omdat de Minister van Veiligheid en Justitie (verweerder) niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 28 maart
- In de uitspraak van 11 juli 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 juli 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant dit te vroeg had ingesteld. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2023 niet juist was.
- Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2023 niet juist. Hij voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft een onvolledig dossier aangeleverd bij de rechtbank. Verweerder verwijst naar de ingebrekestelling die per gewone post zou zijn verzonden op 22 mei 2023 en ontvangen door verweerder op 3 juli
- Aldus gaat verweerder eraan voorbij dat opposant de ingebrekestelling ook per aangetekende brief heeft verzonden, die op 25 mei 2023 door verweerder is ontvangen. Verweerder heeft deze aangetekende ingebrekestelling niet aan het dossier toegevoegd.
- De rechtbank oordeelt als volgt. Bij zijn beroepschrift heeft opposant een ingebrekestelling van 22 mei 2023 overgelegd, die hij per post had verstuurd. Deze per post verstuurde ingebrekestelling is door verweerder op 3 juli 2023 ontvangen. De rechtbank is in haar uitspraak van 11 juli 2023 terecht uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Opposant heeft bij zijn beroep niet gesteld en onderbouwd dat er tevens sprake is geweest van een ingebrekestelling die per aangetekende post is verstuurd en die door verweerder is ontvangen op 25 mei
- Dat had wel op zijn weg gelegen. Het is immers opposant geweest die in beroep is gegaan. Aan hem was het dan ook om concreet met data te stellen en de onderbouwen sinds wanneer verweerder in gebreke was en per wanneer de termijn van twee weken dan zou zijn geëindigd. Dát heeft opposant in de beroepsfase niet gedaan. De rechtbank heeft dan ook kunnen en mogen afgaan op de inhoud van het dossier zoals dat door verweerder aan de rechtbank is verstrekt. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het beroep van opposant niet-ontvankelijk was. Het verzet is daarmee ongegrond en de uitspraak van 11 juli 2023 blijft in stand.
- Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het beroep ook in de door opposant geschetste situatie te vroeg is ingediend. Wanneer ervan uitgegaan wordt dat verweerder de per aangetekende post ingediende ingebrekestelling op 25 mei 2023 heeft ontvangen, dan zou dat betekenen dat de termijn van twee weken start op 26 mei 2023 en eindigt op 9 juni
- Aangezien het beroep op 5 juni 2023 is ingediend, dan zou dat ook in dat geval dus te vroeg zijn geweest. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.