RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht Locatie Utrecht Zaaknummer: C/16/554011 / FO RK 23-319 Eenhoofdig gezag en hoofdverblijfplaats Beschikking van 2 mei 2024 in de zaak van: [moeder] , wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. L.C. de Jong, tegen [oma] , wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de oma, advocaat mr. T.C. Cooman. 1De procedure 1.1. De rechtbank heeft op 9 juni 2023 de beslissing op de verzoeken uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.2. De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen: het rapport van de Raad van 29 december 2023; het bericht van de moeder van 10 januari 2024; het bericht van de moeder met bijlagen van 28 maart 2024; het bericht van de oma met bijlagen van 29 maart 2024. 1.3. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 4 april 2024. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat, de oma met haar advocaat en mevrouw [A] namens de Raad. 1.4. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de [minderjarige] , de zoon van de moeder, in de gelegenheid te stellen om aan de kinderrechter te vertellen wat hij van de verzoeken vindt. De kinderrechter is daartoe alleen verplicht bij kinderen die twaalf jaar of ouder zijn. Als ze jonger zijn mág de kinderrechter dat doen. 2Waar de procedure over gaat 2.1. Het minderjarige kind van de moeder is: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] . 2.2. [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de oma. 2.3. De moeder en de oma hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem nemen. 2.4. [minderjarige] verblijft op dit moment iedere week bij de moeder op woensdagmiddag uit school en van vrijdag uit school tot zondagavond. 2.5. De moeder vraagt de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten en te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij haar heeft en dat zij gerechtigd is de voor hem betaalde kinderbijslag en het kindgebonden budget te incasseren. 2.6. De oma is het niet eens met de verzoeken van de moeder en wil dat deze worden afgewezen. Daarnaast verzoekt de oma om – in het geval het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd naar de moeder – een zorgregeling vast te leggen waarbij [minderjarige] in afbouw/opbouw week op, week af bij zowel oma als moeder zal verblijven, terwijl de moeder de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] zal voldoen van de (gehalveerde) kinderbijslag en het te ontvangen kindgebonden budget. 2.7. De Raad adviseert in het rapport 29 december 2023 om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen naar het adres van de moeder. De Raad vindt dat kinderen primair het recht hebben om bij een van hun ouders op te groeien. En in dit geval heeft de Raad geen zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder. Zij staat open voor hulpverlening en heeft een ontwikkeling doorgemaakt door de inzet van opvoedondersteuning. De Raad koppelt aan dit advies ook het advies om een zorgregeling vast te leggen, omdat de onduidelijkheid over de zorgregeling veel onrust veroorzaakt bij de moeder, oma en [minderjarige] . De Raad adviseert om een zorgregeling vast te leggen waarbij [minderjarige] vooral bij de moeder verblijft. Met betrekking tot het gezag vindt de Raad om drie redenen dat hij nog geen advies kan geven. Ten eerste hebben er nog geen feitelijke situaties plaatsgevonden waarin er besluiten niet konden worden genomen doordat de moeder en de oma er samen niet uit kwamen. Ten tweede denkt de Raad dat de beslissing dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt, het reële risico dat het contact tussen [minderjarige] en de oma onder druk komt te staan, met zich draagt. Ten slotte ziet de Raad nog mogelijkheden om middels een hulpverleningstraject van ‘Parallel Ouderschap’ te werken aan een verbetering van de communicatie. 3De beoordeling De beslissing 3.1. De rechtbank zal beslissen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Daarnaast zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen over de definitieve zorgregeling, maar de beslissing nog vier maanden uitstellen in afwachting van de rapportage van de hulpverlening. In de tussentijd zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastleggen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt. Hoofdverblijfplaats 3.2. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen bij de moeder. Dit betekent dat [minderjarige] voortaan bij de moeder woont. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige] wenselijk. De rechtbank volgt hierin het advies van de Raad en constateert dat hiertegen door beide partijen op de zitting ook geen concrete bezwaren zijn gemaakt. Daarnaast is niet gebleken van bezwaren die in de weg staan aan de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder. De Raad heeft geen zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis en [minderjarige] verblijft op dit moment al bij de moeder op de woensdag uit school en van vrijdag uit school tot zondagavond. 3.3. De rechtbank zal niet – zoals door de moeder verzocht – bepalen dat de moeder gerechtigd is de kinderbijslag en het kindgebonden budget te incasseren. Dit kan de rechtbank immers niet vastleggen. De moeder zal dit zelf moeten aanvragen. Nog geen beslissing over het gezag en het voorwaardelijk verzoek over de zorgregeling 3.4. Op de zitting hebben partijen besloten om hulp te vragen. Zij willen hulp om te werken aan het verminderen van de onderlinge strijd en spanningen, zodat daarna de communicatie kan worden verbeterd. De rechtbank vindt het positief dat partijen open staan voor hulpverlening. De rechtbank ziet namelijk net als de Raad dat de verhoudingen tussen de moeder en de oma ernstig verstoord zijn en worden gekleurd door onverwerkt verdriet en frustraties uit het verleden. Hierdoor verloopt de onderlinge communicatie zeer moeizaam en wordt [minderjarige] al gedurende lange tijd geconfronteerd met en blootgesteld aan spanningen tussen zijn opvoeders. [minderjarige] heeft hier zichtbaar last van; hij is ‘druk’ in zijn hoofd, kan zich minder goed concentreren op school en laat daar ook brutaal gedrag zien. Dit vindt de rechtbank zeer zorgelijk. [minderjarige] is een kwetsbare jongen. Hij heeft extra ondersteuning, structuur en duidelijkheid nodig. In zijn belang is absoluut noodzakelijk dat de belangrijke mensen in zijn leven, zijn moeder en zijn oma, in zijn leven blijven zonder dat dit spanning oplevert. [minderjarige] kan die spanning er gewoonweg niet bij hebben. 3.5. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank de situatie van partijen zodanig spoedeisend dat zij zijn verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. Dit betekent dat er snel contact is met de hulpverlening. Op de zitting heeft de rechtbank direct doorverwezen naar een traject ‘Parallel Ouderschap’. De rechtbank heeft voor ogen dat beide partijen met de hulpverlening leren naar hun eigen aandeel in de strijd te kijken en te reflecteren op hun eigen gedrag. De bedoeling is dat zij meer inzicht krijgen in wat de onderlinge strijd betekent voor [minderjarige] en dat zij leren om de-escalerend te communiceren en de focus op de eigen opvoedsituatie te houden. 3.6. De hulpverlening zal een rapportage aan de rechtbank sturen over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. Partijen stemmen daarmee in. 3.7. De rechtbank zal de beslissing over het gezag en de zorgregeling aanhouden tot 2 september 2024 in afwachting van een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. 3.8. De rechtbank heeft een scan van het proces-verbaal met gegevens van partijen gestuurd naar de centrale intake/toegang die het gaat doorsturen naar de organisatie die hulp gaat verlenen. De centrale intake/toegang zal de rechtbank berichten welke organisatie is ingeschakeld. De rechtbank zal vervolgens een kopie van deze beschikking sturen aan de Raad en de hulpverlener(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.