RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/2065 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2024 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P. Smit), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college), verweerder (gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom van 11 oktober 2022 (het primaire besluit) wegens het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning). De rechtbank beoordeelt of het college dat op een juiste manier heeft gedaan. 1.1. Naar aanleiding van meldingen over kamerverhuur en overlast die door omwonenden is ervaren, hebben toezichthouders van de gemeente Almere bij een controle op 25 januari 2022 geconstateerd dat vier kamers van de woning werden verhuurd aan elk één persoon en dat deze personen in dienst waren van uitzendbureau [uitzendbureau] B.V. ( [uitzendbureau] ). De verhuur van de woning wordt geregeld door [bedrijf] .com B.V. ( [bedrijf] ) enig aandeelhouder van [eiseres] B.V. Dit geconstateerde gebruik is volgens het college in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘‘Chw bestemmingsplan Algemene regels woningsplitsing en kamerbewoning’’ (het Chw-bestemmingsplan). Naast het voornoemde bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘‘Molenbuurt, Bouwmeesterbuurt, Landgoederenbuurt en Polderpark’’ (het bestemmingsplan Molenbuurt) van toepassing. 1.2. Op 14 juli 2022 heeft het college aan eiseres laten weten voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen. Het college heeft hierna met het primaire besluit aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd en gelast om de overtreding binnen drie maanden te staken en gestaakt houden. Doet eiseres dit niet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 10.000,-. 1.3. Met het bestreden besluit van 11 april 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Het college heeft hierbij het advies van de bezwaarschriftencommissie van 30 maart 2023 gevolgd en de last onder dwangsom aangepast. De begunstigingstermijn is verlengd tot zes weken na het bestreden besluit. Volgens de bezwaarschriftencommissie was de last ook onvoldoende concreet om te kunnen vaststellen op welke activiteit die precies betrekking heeft. De last is nader geconcretiseerd op welke wijze het strijdige gebruik in de woning gestaakt kan worden. Verduidelijkt is dat de overtreding kan worden beëindigd door het gebruik van de woning terug te brengen naar de huisvesting door één huishouden, kamerbewoning voor maximaal twee onzelfstandige woonruimten die elk wordt bewoond door maximaal één persoon of te voldoen aan de hospitaregeling. 1.4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [A] , vertegenwoordiger van eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de toezichthouder van het college. Ook waren bij de zitting aanwezig de heer [B] , een van de eigenaren van de woning en diens gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 2. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum een bestuurlijke sanctie is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet. Mocht het college zich baseren op de constateringen van de toezichthouders? 4. De rechtbank stelt vast dat de last van het college van 11 oktober 2022 is gebaseerd op de constatering dat in de woning vier kamers worden verhuurd, elk aan één persoon. Deze constatering is gebaseerd op het controlerapport van de toezichthouders van 25 januari 2022 en een tweede controle op 21 september 2022. In het eerste controlerapport staat dat de woning op dat moment aan vier personen wordt verhuurd, allen werkzaam voor [uitzendbureau] . Eiseres betwist dit in beroep, omdat tijdens de eerste controle de vier personen niet aanwezig waren en dit dus niet feitelijk is geconstateerd door de toezichthouders. Tijdens de tweede controle is volgens eiseres niet feitelijk geconstateerd dat er daadwerkelijk vijf personen aanwezig waren, omdat de toezichthouders niet de twee slaapkamers hebben betreden waar op dat moment personen sliepen. 5. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het college mocht in de besluitvorming uitgaan van de constateringen van de toezichthouders. Tijdens de eerste controle is in het bijzijn van zowel één van de eigenaren van de woning, meneer [B] , als ook door vertegenwoordigers van [bedrijf] en [uitzendbureau] geconstateerd dat de woning aan vier van haar werknemers werd verhuurd. In het controlerapport is aangegeven dat de heer [B] , [bedrijf] en [uitzendbureau] hebben verklaard dat zij niet op de hoogte waren van het beleid van het college over kamerverhuur en zij niet wisten dat een omgevingsvergunning verplicht is. Een dergelijke opmerking ligt niet voor de hand als de woning op dat moment feitelijk niet – zoals eiseres achteraf stelt – aan vier werknemers verhuurd zou zijn. Daar komt bij dat in het controlerapport is vermeld dat vier slaapkamers als zodanig waren ingericht. Op de foto’s in het controlerapport is te zien dat de slaapkamers een bewoonde indruk maken, zoals de persoonlijke spullen op de grond en op een nachtkastje en een half beslapen bed. 6. Nadien zijn toezichthouders van de gemeente nog een keer op 21 september 2022 ter controle langs geweest naar aanleiding van meldingen uit de buurt dat er meer dan vier personen in de woning zouden verblijven. Op het moment van de controle zijn drie bewoners aangetroffen. Deze bewoners gaven aan dat er in de woning op dat moment nog twee personen aanwezig waren, maar dat deze op dat moment sliepen. Het is voor de rechtbank niet in te zien welk belang deze bewoners zouden hebben om hier in strijd met de waarheid over te verklaren. Het college kon aldus van de constatering uitgaan dat het op 25 januari 2022 geconstateerde gebruik in september 2022 nog niet was beëindigd. Er is sprake van een overtreding 7. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een overtreding. Er is volgens haar, anders dan het college stelt, geen strijd met artikel 4.1, onder a van het Chw-bestemmingsplan, omdat er geen verandering in het bestaande gebruik is. Eiseres wijst op het (mede) vigerende bestemmingsplan Molenbuurt op grond van welk bestemmingsplan de bestemming van de woning “wonen” is. Eiseres wijst er daarbij op dat de term ‘‘gebruik’’ niet in het Chw-bestemmingsplan is gedefinieerd. Ook de term ‘‘wonen’’ is niet gedefinieerd in het Chw-bestemmingsplan en het bestemmingsplan Molenbuurt. Nu dit begrip niet is gedefinieerd, moet op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) worden aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Van “wonen” is volgens deze jurisprudentie zowel sprake bij bewoning door de vorige eigenaren als ook bij huisvesting van arbeidsmigranten. Volgens eiseres mag voor de uitleg van het begrip ‘‘wonen’’ niet worden aangehaakt bij het begrip ‘‘woning’’ dat wél in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Ook is er volgens eiseres sprake van de bewoning van de woning door één huishouden, waardoor er volgens eiseres geen overtreding is van het bestemmingsplan. 8. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht geconstateerd dat het verhuren van de woning voor kamerbewoning in strijd is met artikel 4.1, onder a van het Chw-bestemmingsplan en er dus sprake is van een overtreding. De rechtbank legt dit uit. Verandering van het bestaande gebruik? 9. Op grond van het bestemmingsplan Molenbuurt heeft het perceel aan de [adres] in [woonplaats] de enkelbestemming ‘‘Wonen-1’’. Op grond van het eveneens geldende Chw-bestemmingsplan heeft het perceel de aanduiding “overige zone – algemene regels Woningsplitsing en kamerbewoning”. Artikel 4.1, onder a van het Chw-bestemmingsplan bepaalt dat een verandering van het bestaande gebruik van een bestaande woning niet mag leiden tot kamerbewoning of tot woningsplitsing. 10. Kamerbewoning is in artikel 1.7 van het Chw-bestemmingsplan gedefinieerd als een zelfstandige woning, of een deel daarvan, in gebruik geven of laten geven als onzelfstandige woonruimte. Het begrip ‘‘onzelfstandige woonruimte’’ is in artikel 1.8 gedefinieerd als woonruimte die niet voldoet aan de begripsbepaling zelfstandige woonruimte. Het begrip ‘‘zelfstandige woonruimte’’ is gedefinieerd als woonruimte die een eigen toegang heeft en die door één huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen, zoals badruimte, toilet en keuken, buiten de woonruimte. 11. Niet ter discussie staat dat de woning voor inwerkingtreding van het Chw-bestemmingsplan niet voor kamerbewoning werd gebruikt en dat ten tijde van het opleggen van de last dat wel werd gedaan. Aldus is er sprake van een verandering van het bestaande gebruik van de woning naar kamerbewoning en is het gebruik in strijd met artikel 4.1, onder a van het Chw-bestemmingsplan. 12. Eiseres kan niet gevolgd worden in haar stelling dat er geen verandering van het bestaande gebruik is. Anders dan in de zaken in de jurisprudentie waarnaar zij verwijst, is er in artikel 4.1, onder a van de planregels van het Chw-bestemmingsplan een duidelijk verbod voor kamerbewoning opgenomen, welk begrip in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Daar komt nog bij dat in dit artikelonderdeel van de planregel eveneens een koppeling met het begrip “woning” legt, dat in het bestemmingsplan is gedefinieerd als het complex van ruimten dat een zelfstandige woonruimte vormt, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. De rechtbank ziet gelet op de tekst van de planregel niet in dat voor de uitleg hiervan aansluiting moet worden gezocht bij het begrip “wonen” in het normale spraakgebruik. Bewoning door één huishouden? 13. Eiseres voert ook aan dat de woning wordt bewoond door één huishouden, waardoor er volgens eiseres geen overtreding is van het bestemmingsplan. 14. De rechtbank stelt voorop dat zij hiervoor heeft overwogen dat het college zich bij het opleggen van de last heeft mogen baseren op de constateringen van de toezichthouders. Geconstateerd is dat de woning werd verhuurd aan vier werknemers van [uitzendbureau] . Al naar gelang het contract kunnen de werknemers hier enkele weken tot maanden verblijven. Dit wordt ook bevestigd door de latere verhuurovereenkomsten die in de bezwaarprocedure zijn overgelegd, waaruit volgt dat de kamers uit de woning werden verhuurd voor een beperkte tijd. Bij de tweede controle worden drie werknemers van het uitzendbureau in de woning aangetroffen met deels Poolse en Roemeense nationaliteit. Gelet op deze constateringen – en zoals eiseres in het beroepschrift ook zelf onderkent – is er sprake van een situatie waarin de woning verhuurd wordt aan arbeidsmigranten. 15. Het verhuren aan arbeidsmigranten en het samenwonen van arbeidsmigranten kan niet worden gelijkgesteld aan een huishouden, omdat het samenleven niet wordt gekenmerkt door continuïteit en onderlinge verbondenheid. De arbeidsmigranten zijn slechts een aantal weken tot maanden in het pand gehuisvest. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van continuïteit in het samenleven. Arbeidsmigranten hebben niet de intentie om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Het gaat niet om een samenlevingsvorm die bestond vóór en stand zal houden ná de bewoning van de woning. Het samenwonen kenmerkt zich in dit geval door een tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. De beroepsgrond slaagt niet. Geen overtreding door het ontstaan van een vergunning van rechtswege? 16. Eiseres voert verder nog aan dat indien sprake is van een overtreding, deze wordt gelegaliseerd door de van rechtswege ontstane omgevingsvergunning. De rechtbank volgt eiseres hierin niet omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan, zoals zij heeft overwogen in haar uitspraak van 21 mei 2024 met zaaknummer 23/2101. Eiseres is overtreder 17. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Zij is geen eigenaar, geen huurder, geen verhuurder en geen beheerder van de woning. Zij stelt dat zij het ook niet in haar macht heeft om de overtreding te beëindigen en dat de overtreding niet aan haar kan worden toegerekend. 18. De rechtbank geeft eiseres hierin geen gelijk. Volgens de rechtspraak van de ABRvS dient voor het opleggen van herstelsancties aan een rechtspersoon te worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.