← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:3392

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2679 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2024 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. R. Grijpstra), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 28 maart
  2. In dit besluit heeft verweerder besloten verzoeker geen uitkering op grond van de Ziektewet toe te kennen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
  3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter daarom aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij geen voorlopige voorziening treft.
  5. Verzoeker voert aan dat hij geen inkomsten meer heeft en daardoor ernstig in de problemen is gekomen met betaling van de vaste lasten. Daardoor kan hij zich niet focussen op zijn medische herstel, wat zijn genezing in ernstige mate belemmert.
  6. De griffier van deze rechtbank heeft in de brief van 9 april 2024 de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid gesteld om binnen één week de stelling dat sprake is van een spoedeisend belang nader te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat er sprake is van een financiële noodsituatie, zoals bijvoorbeeld met recente bankafschriften, of aanmaningen van betalingsachterstanden. Ook heeft de griffier gevraagd of verzoeker beschikt over een brief van de gemeente, waarin staat dat hij geen bijstandsuitkering kan krijgen.
  7. De gemachtigde van verzoeker heeft niet op deze brief gereageerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet of onvoldoende heeft aangetoond dat hij in een zodanige financiële noodsituatie verkeert dat hij niet (meer) in haar primaire levensbehoeften kan voorzien. Een acute financiële noodsituatie, die tijdens de bezwaarprocedure aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van het toekennen van bijvoorbeeld een voorschot, is dan ook niet aangetoond. De voorzieningenrechter neemt in dit geval geen spoedeisend belang aan.
  8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen sprake is van een spoedeisend belang, kan de voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet klopt en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak. De voorzieningenrechter is daarvan vooralsnog niet gebleken. Verzoeker heeft hiervoor ook geen argumenten gegeven. Conclusie en gevolgen
  9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 mei
  10. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.