RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/192575-23 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 19 februari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1964 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen en tevens gedetineerd te: [adres 1] , [postcode] te [plaats] ( [verblijfplaats] ), hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 november 2023 en 5 februari 2024 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Boon en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, alsmede hetgeen [A] (Slachtofferhulp Nederland) namens de benadeelde partij [aangeefster] , naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: in de periode van 19 juli 2023 tot en met 26 juli 2023 in Utrecht, opzettelijk zijn gedragsaanwijzing heeft overtreden door via Facebook berichten te sturen naar [aangeefster] dan wel berichten op zijn (verdachtes) openbaar Facebookaccount te plaatsen; Feit 2: in de periode van 9 juli 2023 tot en met 11 juli 2023 in Utrecht, opzettelijk zijn gedragsaanwijzing heeft overtreden door op zijn (verdachtes) openbaar Facebookaccount berichten te plaatsen; Feit 3: in de periode van 11 april 2023 tot en met 17 mei 2023 in Utrecht [aangeefster] heeft belaagd door veelvuldig (beledigende) SMS- en/of Whatsappberichten te sturen; Feit 4: op 7 juni 2023 in Utrecht afbeeldingen van zijn ontblote geslachtsdeel aan [aangeefster] heeft toegezonden. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er met het plaatsen van tekst of afbeeldingen in de biografie op zijn (verdachtes) Facebookaccount geen sprake is van indirect contact. De raadsvrouw verzoekt dan ook om verdachte hiervan vrij te spreken. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het feit slechts wettig en overtuigend kan worden bewezen vanaf 10 mei 2023, omdat er voor deze datum sprake is geweest van wederzijds contact en omdat aangeefster pas op deze datum uitdrukkelijk aan verdachte heeft laten weten dat het contact ongewenst was. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte betwist dat de verzonden afbeeldingen aanstotelijk waren, wat tot vrijspraak van dit feit moet leiden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een gedragsaanwijzing (feit 1), belaging (feit 3) en het toezenden van voor de eerbaarheid aanstotelijke afbeeldingen (feit 4). De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een gedragsaanwijzing zoals tenlastegelegd onder feit 2 en de rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. Hieronder zal de rechtbank waar nodig uitleggen waarom zij tot deze beslissingen komt en zal de rechtbank ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn ten behoeve van de leesbaarheid opgenomen in bijlage II van dit vonnis. 4.3.1 Ten aanzien van feit 1 Verdachte heeft ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring afgelegd. De verdediging heeft voor dit feit, voor zover hierna bewezen verklaard, geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden hoeft de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering de bewijsmiddelen niet uit te werken, maar kan worden volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen. 4.3.2 Ten aanzien van feit 2, vrijspraak Verdachte heeft op zijn openbare Facebookaccount berichten geplaatst en zijn profiel bijgewerkt. Hoewel de rechtbank uit de tekst op zijn profiel opmaakt dat deze gaat over aangeefster – de naam van aangeefster wordt immers genoemd en verdachte telt de dagen af totdat de gedragsaanwijzing afloopt – en aangeefster derhalve ongewenst daarmee kan worden geconfronteerd, is de rechtbank van oordeel dat er met het plaatsen van die teksten geen sprake is van het zoeken van contact in de zin van de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing, ook niet in indirect zin. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde. 4.3.3 Ten aanzien van feit 3 Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat er gedurende een deel van de tenlastegelegde periode, vanaf 11 april 2023 tot en met 10 mei 2023, sprake is van wederzijds contact tussen verdachte en aangeefster. Op 10 mei 2023 heeft aangeefster ondubbelzinnig aan verdachte laten weten met rust gelaten te willen worden. Na deze mededeling heeft aangeefster niet meer gereageerd op de vele berichten van verdachte. Niet ter discussie staat dat verdachte in deze periode aangeefster heeft belaagd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de door verdachte vanaf 11 april 2023 tot en met 10 mei 2023 gestuurde berichten kunnen worden gekwalificeerd als het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. De tenlastegelegde periode vangt aan op het moment dat aangeefster na een hoogoplopende ruzie met verdachte de woning ontvlucht en op een voor verdachte onbekend adres verblijft. Daarbij was Veilig Thuis betrokken. Die breuk leidt meteen tot een stortvloed aan berichtjes door verdachte. Dat slechts sprake kan zijn van belaging als aangeefster vanaf het eerste moment nadrukkelijk heeft gezegd geen contact meer te willen is een onjuiste opvatting van de verdediging. Zo kan ook uit andere feiten en omstandigheden de wederrechtelijkheid van het sturen van de berichten worden afgeleid (zie ECLI:HR:2015:1447). In dit verband acht de rechtbank relevant dat verdachte op 12 april 2023 al zelf bij aangeefster ter sprake brengt dat er mogelijk sprake is van belaging. Verdachte stuurde op deze datum aan aangeefster: “hebben ze al bijgehouden hoe vaak ik geprobeerd heb om mijn eigen vrouw te bellen, vast wel alles komt in het dossier zo van kijk eens mevrouw de rechter hij is een stalker”. Verdachte heeft ter terechtzitting over dit bericht verklaard dat hij vanaf die dag (12 april 2023) wel wist dat aangeefster zijn berichten niet wilde ontvangen en dat de berichten dus ongewenst waren. Dit maakt, in combinatie met de enorme hoeveelheid berichten in het procesdossier, dat de rechtbank vaststelt dat verdachte zich ook vanaf 12 april 2023 heeft schuldig gemaakt aan belaging. Dan resteert nog de vraag of dit anders is of wordt doordat aangeefster in deze periode af en toe heeft geantwoord op de berichten van verdachte. Dat is niet het geval. De rechtbank stelt in dat verband vast dat de berichten die door verdachte zijn gestuurd veelal dwingend van aard zijn, waarbij verdachte onder meer dreigt met opzegging van de huur van de woning van aangeefster (waar verdachte op dat moment verbleef) en met weggooien van spullen van aangeefster. Meerdere berichten zijn verder ronduit hatelijk van toon, waarbij aangeefster voor van alles en nog wat wordt uitgemaakt. Hoewel aangeefster in de periode tot 10 mei 2023 af en toe dus berichten terugstuurt, staat het aantal daarvan in schril contrast met de berichten dat verdachte stuurde. Ook valt uit het dossier op te maken dat aangeefster veelal reageert op praktische zaken, als het bijvoorbeeld gaat om de zorg voor de hond en de huur van de woning. Door de dreigende toon van de berichten over deze onderwerpen neemt de rechtbank aan dat aangeefster zich tot een reactie gedwongen voelde. Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte vanaf 12 april 2023 stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordeling voor belaging vanaf 12 april 2023 tot en met 17 mei 2023. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat – voor zover verdachte heeft verklaard dat zijn berichten niet waren gericht aan aangeefster, omdat de telefoon die in gebruik was bij aangeefster zijn telefoon was – de rechtbank de verklaring van verdachte op dat punt niet volgt. Verdachte heeft immers verklaard dat hij wel wist dat de berichten door aangeefster werden gelezen en dat dat ook zijn bedoeling was. Partiele vrijspraak Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het ten laste gelegde feit voor zover het feit ziet op de gedragingen die zijn gepleegd op 11 april 2023. 4.3.4 Ten aanzien van feit 4 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de afbeeldingen van zijn ontblote penis ongevraagd door hem zijn verstuurd naar aangeefster, maar verdachte vraagt zich af waarom de foto’s door aangeefster als ‘walgelijk’ worden beschouwd. De rechtbank begrijpt daaruit dat verdachte daarmee betwist dat hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat de afbeeldingen in die context aanstotelijk voor de eerbaarheid waren. De vraag of er sprake is van een afbeelding die aanstotelijk is voor de eerbaarheid, dient te worden beantwoord naar de hier te lande heersende zeden, oftewel de vraag die de rechter moet beantwoorden is of het maatschappelijk geaccepteerd is. Anders dan verdachte is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gepleegde gedraging, te weten het via Whatsapp ongevraagd versturen van meerdere foto’s van zijn ontblote penis, onder omstandigheden naar de huidige maatschappelijke opvatting als aanstotelijk voor de eerbaarheid wordt beschouwd. In deze zaak is van belang dat verdachte en aangeefster ten tijde van het versturen van de foto’s geen relatie meer hadden, dat aangeefster niet om dergelijke foto’s heeft gevraagd en verdachte had moeten begrijpen dat aangeefster gelet op de relatiebreuk waar zij zich op dat moment in bevonden niet op deze foto’s zat te wachten. Dat aangeefster mogelijk al in het bezit zou zijn (geweest) van deze foto's, doet daar niet aan af. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor het onder feit 4 tenlastegelegde. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 1 in de periode van 19 juli 2023 tot en met 26 juli 2023, te Utrecht, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 5 juli 2023, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Midden-Nederland, door veelvuldig berichten naar [aangeefster] te sturen en meerdere berichten op een (openbaar) Facebook-account te plaatsen met (onder meer) de tekst: "Je komt er vanzelf wel achter dat je het zonder mij niet gaat redden...", " [verdachte] voelt zich verschrikkelijk met [aangeefster] en [aangeefster] bij [instelling] .", " [verdachte] voelt zich gelukkig met [aangeefster] in Utrecht.", [verdachte] voelt zich relaxed met [verdachte] Utrecht en [aangeefster] bij [instelling] ." en " [verdachte] voelt zich gezegend met [verdachte] Utrecht en [aangeefster] bij [instelling] ."; Feit 3 op tijdstippen in de periode van 12 april 2023 tot en met 17 mei 2023, te Utrecht, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door die [aangeefster] veelvuldig, (beledigende) berichten (via WhatsApp) toe te sturen, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen en te dulden; Feit 4 op 7 juni 2023, te Utrecht, meerdere afbeeldingen waarop zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel zichtbaar was aan iemand, te weten [aangeefster] , anders dan op haar verzoek, via Whatsapp heeft toegezonden, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeeldingen aanstotelijk voor de eerbaarheid waren. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd; Feit 3: belaging; Feit 4: ernstige reden hebbende om te vermoeden dat een afbeelding aanstotelijk is voor de eerbaarheid en die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden, meermalen gepleegd. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest; de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, uitgezonderd het verbod tot het nemen van oxycodon of andere medicatie ten behoeve van pijnverlichting wanneer dit door een arts is voorgeschreven; een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38z-maatregel). 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw denkt dan aan de voorwaarden die de reclassering heeft voorgesteld in het kader van de geadviseerde tbs-maatregel. De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen tbs-maatregel en 38z-maatregel op te leggen, nu deze maatregelen niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 8.3.1 De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Nadat aan verdachte een gedragsaanwijzing jegens hetzelfde slachtoffer is opgelegd, heeft verdachte zijn gedragsaanwijzing overtreden. Daarnaast heeft verdachte meerdere aanstotelijke afbeeldingen ongevraagd naar het slachtoffer toegestuurd. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij en de op zitting voorgelezen slachtofferverklaring, blijkt dat de belaging een grote impact heeft gemaakt op het leven van het slachtoffer. Door de bewezenverklaarde feiten heeft het slachtoffer zich onveilig gevoeld en heeft ze tot de aanhouding van verdachte op een voor verdachte onbekende locatie verbleven. Aangeefster kon door de angst voor verdachte niet in haar eigen woning met haar hondje verblijven. Ook heeft het slachtoffer last gehad van slaapproblemen, concentratieproblemen en is ze doorverwezen naar de psychiater en POH-GGZ. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich niet heeft gehouden aan de gedragsaanwijzing die hem vervolgens is opgelegd. Met zijn handelen heeft verdachte geen acht geslagen op de negatieve gevolgen en impact van zijn gedrag op het slachtoffer. 8.3.2 De persoonlijke omstandigheden van verdachte Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte (hierna: strafblad) van 8 januari 2024. Gelet op de ouderdom van de daarop staande soortgelijke feiten neemt de rechtbank dat niet in strafverzwarende wijze mee bij de strafoplegging. Verdachte heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, verricht door I.F.F.M. Elzakkers, psychiater, en B.E.W. Nieuwenhuizen, psycholoog. Hun bevindingen en adviezen staan in een rapportage Pro Justitia van 13 november 2023. In diagnostische zin hebben beide deskundigen vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een (ernstige) stoornis in het gebruik van een opioïde (oxycodon). Deze waren aanwezig ten tijde van het bewezen verklaarde en waren van invloed op verdachtes gedragskeuzes en gedragingen. Over de manier waarop dit gebeurde en tot welk advies dit over de mate van toerekeningsvatbaarheid leidt heeft de psychiater het volgende beschreven: Met name de persoonlijkheidsstoornis heeft zijn denken, voelen en handelen gedurende beide ten laste gelegde feiten (indien bewezen) beïnvloed. De ernst van de persoonlijkheidsstoornis is zodanig, dat deze eigenlijk continu een invloed heeft op het denken, voelen en handelen van betrokkene, in een emotionele toestand is dat bij uitstek het geval. Het advies is om de ten laste gelegde stalking (indien bewezen) in verminderde mate toe te rekenen. Omtrent de ten laste gelegde overtreding van de gedragsaanwijzing was betrokkene in een minder emotionele toestand dan bij de ten laste gelegde stalking (indien bewezen), de toerekenbaarheid was bij dit feit (indien bewezen) dan ook groter dan bij de ten laste gelegde stalking (indien bewezen). Het advies is om de overtreding van de gedragsaanwijzing (indien bewezen) dan ook in licht verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schrijft: De conclusie is dat betrokkene beperkt was in zijn gedragskeuzes door zijn persoonlijkheidsstoornis, naast de opioïde verslaving, geluxeerd door oplopende spanningen in de relatie, en de sociale context. De ernst van de persoonlijkheidsstoornis is zodanig, dat deze continue invloed heeft op zijn denken, voelen en handelen, zowel in de aanloop als in het tenlastegelegde zelf. Op basis van bovengenoemde wordt daarom geadviseerd om betrokkene het ten laste gelegde [de belaging], indien bewezen verklaard, in verminderde mate toe te rekenen. Zijn handelen [komt] ook op dit moment grotendeels voort vanuit persoonlijkheidsproblematiek, waardoor hij niet alles kan overzien. De overtredingen van de gedragsaanwijzing, indien bewezen, kan hem in (licht) verminderd mate worden toegerekend. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de hiervoor genoemde stoornissen aanwezig waren ten tijde van het bewezenverklaarde en dat deze stoornissen in enige mate van invloed waren op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. De rechtbank ziet daarin redenen om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Dit wordt in strafverminderende zin meegewogen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies (ten behoeve van tbs met voorwaarden) van Reclassering Nederland van 24 januari 2024, opgemaakt door E. Maurits, reclasseringswerker. De reclassering schat het recidiverisico hoog in en adviseert positief over tbs met voorwaarden met de volgende voorwaarden: geen strafbare feiten plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, de mogelijkheid tot een time-out, het verbod om naar het buitenland te gaan, ambulante behandeling, begeleid wonen, een drugs- en alcoholverbod, een contact- en locatieverbod. De reclassering adviseert om het locatieverbod zonder elektronische monitoring op te leggen, nu verdachte slechts digitaal contact heeft gezocht en nu aangeefster heeft verklaard dat er nooit sprake is geweest van fysieke agressie. 8.3.3 De straffen en maatregelen De ernst van de feiten, zoals hiervoor is toegelicht, rechtvaardigt de oplegging van een vrijheidsbenemende straf van meerdere maanden. Gelet op het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en verdachte hulp nodig heeft ter voorkoming van recidive zal de rechtbank die straf gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft verdachte om die reden op 6 februari 2024 onmiddellijk in vrijheid gesteld. Deze beslissing is afzonderlijk opgemaakt. Er blijft wel een deel voorwaardelijke gevangenisstraf over waaraan de rechtbank voorwaarden zal verbinden, zoals hierna zal worden uitgelegd. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank geen tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. Hoewel verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld, merkt de rechtbank op dat die veroordelingen uit 2009 en 2011 dateren en dat voor deze zaken relatief lichte straffen zijn opgelegd (een taakstraf van 30 uren en een geldboete van € 400,00). Hieruit leidt de rechtbank af dat dit qua aard en ernst relatief lichte zaken betroffen. Gelet op het feit dat verdachte in onderhavige zaak alleen berichten heeft verstuurd (digitaal contact) en gelet op de verklaring van het slachtoffer waaruit blijkt dat verdachte nooit fysieke agressie heeft getoond, ook niet in de jaren dat zij samen zijn geweest, volgt de rechtbank de conclusies uit het persoonlijkheidsonderzoek ten aanzien van het hoge risico op geweld niet. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de oplegging van een tbs-maatregel niet noodzakelijk ter waarborging van de veiligheid van anderen en niet passend bij de feiten (en omstandigheden) waarvoor de rechtbank verdachte veroordeelt. De maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht kan slechts in een beperkt aantal gevallen worden opgelegd, waaronder indien verdachte wordt veroordeeld tot tbs. Nu de rechtbank niet overgaat tot oplegging van een tbs-maatregel en een andere situatie waarin de maatregel kan worden opgelegd zich niet voordoet, kan de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van de 38z-maatregel. Nu de rechtbank aan verdachte geen tbs-maatregel (en 38z-maatregel) zal opleggen, maar behandeling voor zijn problematiek wel noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.