← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:3438

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/318285-21 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen: veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 april

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. P. Jansen en van hetgeen veroordeelde en mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, naar voren hebben gebracht. 2DE VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 36.223,
  2. 2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu integrale vrijspraak is bepleit in de strafzaak tegen veroordeelde en veroordeelde geen voordeel heeft genoten. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van 22 april 2024 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor oplichting en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, in de periode van 25 maart 2020 tot en met 4 maart
  3. De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht). 3.2 Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op de nader te noemen data en tijdstippen (28 maart 2020 tot en met 27 april 2020) werd van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van aangever [aangever] , in een kort tijdsbestek verschillende bedragen, in totaal 3.747,61 euro, overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer 2] , ten name van [veroordeelde] . Op de nader te noemen data en tijdstippen (10 mei 2020 tot en met 23 juli 2020) werd van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van aangever [aangever] , in een kort tijdsbestek verschillende bedragen, in totaal 16.975,00 euro, overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer 3] , ten name van [veroordeelde] . Op de nader te noemen data en tijdstippen (21 januari 2021 tot en met 3 maart 2021) werd van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van aangever [aangever] , in een kort tijdsbestek verschillende bedragen, in totaal 2.218,03 euro, overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer 4] , ten name van [veroordeelde] . Datum: 24 februari 2021; Tijdstip: 16:45 uur; Bijlageregel: 419; Omschrijving: Geldmaat te Enschede; Bedrag: € 1.000; Datum: 24 februari 2021; Tijdstip: 17:37 uur; Bijlageregel: 421; Omschrijving: Geldmaat te Enschede; Bedrag: € 2.000; Datum: 24 februari 2021; Tijdstip: 17:38 uur; Bijlageregel: 422; Omschrijving: Geldmaat te Enschede; Bedrag: € 2.000; Datum: 24 februari 2021; Tijdstip: 17:40 uur; Bijlageregel: 423; Omschrijving: Geldmaat te Enschede; Bedrag: € 2.000; Datum: 24 februari 2021; Tijdstip: 17:41 uur; Bijlageregel: 424; Omschrijving: Geldmaat te Enschede; Bedrag: € 2.000; Datum: 24 februari 2021; Tijdstip: 17:42 uur; Bijlageregel: 425; Omschrijving: Geldmaat te Enschede; Bedrag: € 1.
  4. Uit het vonnis blijkt geenszins dat veroordeelde deze door middel van oplichting en diefstal verkregen geldbedragen heeft terugbetaald aan het slachtoffer. De rechtbank merkt hierbij op dat zij – anders dan de officier van justitie – niet de bedragen heeft meegenomen die zijn overgemaakt van de rekening van aangever [aangever] naar het rekeningnummer van anderen dan verdachte zelf. Dat maakt dat zij een totaalbedrag van € 3.283,02 (overgemaakt naar een rekeningnummer van respectievelijk [A] . en [B] ) in mindering brengt voor de berekening van de opbrengst en de kosten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 32.940,
  5. 3.3 Betalingsverplichting De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal verdachte dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 32.940,64 aan de staat. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 32.940,64; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 32.940,64 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 658 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mr. G.A. Bos en mr. A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april
  6. Mr. Werner is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2021, genummerd PL0900-2021069119-87, opgemaakt door de politie Midden-Nederland (pagina 1188 tot en met 1191, inclusief bijlage, pagina 1192 tot en met 1210). P.
  7. P.
  8. P.
  9. P. 1210.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.