RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/5237-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2024 op het verzet van Beschermingsbewind Centraal Nederland, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [opposant] , uit [woonplaats] , opposant (gemachtigde: mr. Grijpstra,) Procesverloop Op 5 juni 2023 heeft opposant bezwaar gemaakt tegen het ‘zeer waarschijnlijke’ besluit van 13 juni 2023 van de Belastingdienst/Toeslagen (verweerder). Op 10 oktober 2023 heeft opposant verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bewaar. Op 26 oktober 2023 heeft opposant beroep ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op drie bezwaarschriften met betrekking tot de compensatie kinderopvangtoeslag. In de uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak op 27 maart 2024 gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze verzetszaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 27 maart 2024 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. Oordelend in verzet, kijkt de rechtbank (nog) niet of opposant gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2024 niet juist was. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2024 niet juist, omdat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat het door opposant ingediende bezwaar van 5 juni 2023 niet ook ziet op de beschikking van 28 maart
- Opposant heeft recentelijk de beschikking van 28 maart 2023 onder ogen gekregen. Volgens opposant zag het door hem ingediende bezwaar van 5 juni 2023, gelet op de inhoud, ook op de beschikking van 28 mei
- De ingebrekestelling van 10 oktober 2023 zag, gelet op de inhoud daarvan, ook op de beschikking van 28 mei
- Opposant heeft prematuur bezwaar ingediend. Gelet op het hiervoor genoemde stelt opposant dus dat, nu verweerder nog steeds niet heeft beslist op het bezwaar, er voldoende procesbelang is bij het beroep tegen het niet-tijdig beslissen en dat dit beroep ontvankelijk is.
- De verzetsrechter volgt opposant niet in dit standpunt. Artikel 6:10 van de Awb ziet op de ontvankelijkheid van een te vroeg (“prematuur”) ingediend bezwaar of beroep. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van toepassing, dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening: wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
- Naar het oordeel van de verzetsrechter kan het bezwaarschrift van 5 juni 2023 niet worden aangemerkt als een prematuur bezwaar ten aanzien waarvan niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van artikel 6:10 van de Awb achterwege dient te blijven. Ten tijde van de indiening van het bezwaar was het besluit van verweerder van 28 maart 2023 al genomen en was de termijn voor het indienen van het bezwaar tegen dat besluit al aangevangen. Daarom is geen sprake van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb.
- Naar het oordeel van de rechtbank kan verder uit het namens eiser ingediende bezwaarschrift van 10 december 2021 niet anders worden opgemaakt dan dat het uitsluitend is gericht tegen de beschikking van 13 januari
- De rechtbank weegt daarbij mee dat in het bezwaarschrift concreet alleen de beschikking van 13 januari 2023 wordt genoemd. Opposant stelt weliswaar in het bezwaar dat dit ook gericht is tegen besluitvorming die ná 28 februari 2023 tot stand is gekomen, maar dat is niet concreet genoeg. Gelet op deze omstandigheden is de verzetsrechter van oordeel dat de rechtbank in de uitspraak van 27 maart 2024 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel bestond over de uitkomst van het beroep en mitsdien over de toepassing van artikel 8:54 van de Awb.
- Het verzet is daarom ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2024 blijft in stand. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.