RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 10678718 \ LC EXPL 23-1946 Vonnis van 26 juni 2024 in de zaak van [eiseres] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.W.G. Versendaal. 1Het verdere verloop van de procedure 1.
- Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: - het tussenvonnis van 3 april 2024 en de daarin genoemde stukken - de akte van [eiseres] van 1 mei 2024 met productie 12 - de antwoordakte van [gedaagde] . 1.
- De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is. 2De verdere beoordeling Het tussenvonnis van 3 april 2024 2.
- In deze zaak staat de vraag centraal of er tussen partijen een aanvullende (mondelinge) overeenkomst tot stand is gekomen voor de onderhuur van 1.496 m² aan extra opslagruimte. [eiseres] meent van wel en [gedaagde] meent van niet. 2.
- De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 3 april 2024, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij dit tussenvonnis is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren van haar stelling dat partijen eind februari / begin maart 2023 mondeling een aanvulling op de onderhuurovereenkomst zijn overeengekomen, die inhoudt dat [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2023 1.496 m² aan extra opslagruimte onderhuurt tegen betaling van een huurprijs overeenkomstig de tussen partijen geldende vierkantemeterprijs. Op 1 mei 2024 heeft [eiseres] een akte genomen en vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Bij akte van 29 mei 2024 heeft [gedaagde] daarop gereageerd. Waarom is [eiseres] niet geslaagd in haar bewijsopdracht? 2.
- [eiseres] heeft aan de voornoemde bewijsopdracht uitvoering gegeven door bij haar akte twee e-mailberichten van 29 april 2024 om 14:33:32 uur en om 14:39.37 uur van mevrouw [A] van Makelaardij [naam] (hierna: [A] ) aan de heer [B] (hierna: [B] ) van [eiseres] in het geding te brengen. 2.
- Hierna zal de kantonrechter het door [eiseres] geleverde bewijs waarderen, waarbij als toetsingskader geldt dat de door [eiseres] gestelde feiten (pas) bewezen zijn, als er sprake is van een redelijke mate van zekerheid daarvan. 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet geslaagd is in haar bewijsopdracht en wel om het volgende. 2.
- [A] heeft in haar eerste e-mailbericht van 29 april 2024 om 14:33:32 uur enkel verklaard dat ‘Wat in het onderstaande bericht staat en klopt, zo hebben we met [gedaagde] aan tafel gezeten en het besproken’. Het onderstaande bericht waarnaar [A] in haar e-mailbericht heeft verwezen zijn de bewoordingen van [B] zelf over hoe het tijdspad volgens hem was verlopen, maar dat zijn niet de bewoordingen en/of waarnemingen van [A] zelf. [A] heeft in het geheel niets verklaard over het moment waarop de mondelinge onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte definitief tot stand zou zijn gekomen. Ook heeft [A] verder niets verklaard over wanneer en hoe vaak zij [gedaagde] heeft gesproken over het huren van de extra opslagruimte, wat er tijdens die gesprekken is besproken, welke toezeggingen er zouden zijn gedaan door [gedaagde] over het huren van de extra opslagruimte en onder welke voorwaarden de extra opslagruimte gehuurd zou worden. Uit dit e-mailbericht van [A] volgt geenszins dat eind februari / begin maart 2023, zoals [eiseres] stelt, tussen partijen een aanvullende mondelinge onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte van 1.496 m² per 1 augustus 2023 tot stand is gekomen. 2.
- Ook het aanvullend e-mailbericht van [A] van 29 april 2024 om 14:39:37 uur biedt geen steun aan het standpunt van [eiseres] . In de eerste plaats zegt [A] in het e-mailbericht alleen ‘Onderstaande bericht klopt zo hebben we het met elkaar besproken, [C] wilde het zo.’. Vervolgens komt er een opsomming van kennelijk interne notities van [eiseres] . Nog los van het feit dat de opsomming niet de bewoordingen en/of waarnemingen van [A] zelf zijn, volgt daarnaast uit die opsomming ook niet dat er tussen partijen eind februari / begin maart 2023 een mondelinge overeenkomst voor de extra opslagruimte per 1 augustus 2023 tot stand is gekomen. 2.
- Het bovenstaande brengt mee dat [eiseres] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat partijen eind februari / begin maart 2023 mondeling een aanvullende onderhuurovereenkomst zijn overeengekomen, die inhoudt dat [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2023 1.496 m² aan extra opslagruimte onderhuurt tegen betaling van een huurprijs overeenkomstig de tussen partijen geldende vierkantemeterprijs. De kantonrechter stelt dan ook vast dat tussen partijen per 1 augustus 2023 geen onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte van 1.496 m² tot stand is gekomen. Alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, omdat de grondslag daarvoor – de onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte – is komen te ontvallen. Dit betekent dat [gedaagde] niets aan [eiseres] hoeft te betalen. Waarom moet [eiseres] de proceskosten betalen? 2.
- [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 2.375,00 (2,5 punten × € 950,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.510,00 3De beslissing De kantonrechter 3.
- wijst de vorderingen van [eiseres] af, 3.
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de kostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart de kostenveroordeling onder 3.
- van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 juni
- HHt/37278