RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere Vonnis van 10 juli 2024 in de zaak met zaaknummer: 10646524 \ MC EXPL 23-4524 D/51246 van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , eisers, hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s., gemachtigde: mr. J.D. Poot, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , gedaagden, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s., gemachtigde: mr. B. Altena (DAS). 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in het incident van 13 december 2023; - de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met 5 producties; - de conclusie van antwoord in reconventie met productie 7; - de aanvullende productie 6 van [gedaagde sub 1] c.s.; - de gerechtelijke plaatsopneming met aansluitend de mondelinge behandeling op 19 juni 2024. 1.2. Tijdens de gerechtelijke plaatsopneming en mondelinge behandeling op 19 juni 2024 was [eiser sub 1] aanwezig, bijgestaan door mr. Poot. Ook [gedaagde sub 1] c.s. was aanwezig, bijgestaan door mr. Altena. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3. Ten slotte is bepaald dat op 17 juli 2024 vonnis wordt gewezen. 2De feiten 2.1. [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. zijn buren van elkaar. [eiser sub 1] c.s. is eigenaar van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats] . [gedaagde sub 1] c.s. is eigenaar van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 2] / [nummeraanduiding 3] . [gedaagde sub 1] c.s. woont zelf op nummer [nummeraanduiding 2] . De (schoon)ouders van [gedaagde sub 1] c.s. wonen op nummer [nummeraanduiding 3] . 2.2. [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. zijn ieder afzonderlijk eigenaar van percelen rondom hun woningen. De eigendomssituatie is – voor zover van belang – weergegeven op de volgende tekening. De geel gemarkeerde percelen zijn in eigendom van [eiser sub 1] c.s. en de groen gemarkeerde percelen zijn in eigendom van [gedaagde sub 1] c.s.: 2.3. Perceel [nummeraanduiding 8] (in eigendom van [eiser sub 1] c.s.) is een onverharde toegangsweg van en naar de openbare weg. 2.4. In 2007 (toen [gedaagde sub 1] c.s. zijn woning in eigendom verkreeg) is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. De percelen hadden destijds nog andere nummers. De erfdienstbaarheid ziet op de huidige percelen [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] (gedeeltelijk) als heersend erf en de huidige percelen [nummeraanduiding 6] , [nummeraanduiding 7] en [nummeraanduiding 8] als dienend erf. 2.5. [eiser sub 1] c.s. heeft een afscheiding met daarin een poort geplaatst tussen zijn percelen [nummeraanduiding 9] en [nummeraanduiding 6] . 2.6. [eiser sub 1] c.s. heeft – in overleg met [gedaagde sub 1] c.s. – een afscheiding van twee meter hoog geplaatst op perceel [nummeraanduiding 6] . Deze afscheiding loopt parallel aan de erfgrens tussen de percelen [nummeraanduiding 6] en [nummeraanduiding 5] en staat enkele meters vanaf de erfgrens. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat sprake is van een erfdienstbaarheid, inhoudende een recht van weg, die ziet op de percelen [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] (gedeeltelijk) als heersend erf en de percelen [nummeraanduiding 6] , [nummeraanduiding 7] en [nummeraanduiding 8] als dienend erf; II. voor recht te verklaren dat [eiser sub 1] c.s. gerechtigd is zijn perceel [nummeraanduiding 7] af te scheiden door plaatsing van een schutting of heg van twee meter hoog althans van één meter hoog; III. voor recht te verklaren dat [eiser sub 1] c.s. gerechtigd is de toegang van zijn perceel [nummeraanduiding 7] tot het perceel [nummeraanduiding 5] van [gedaagde sub 1] c.s. te voorzien van een poort van twee meter hoog althans van een poort van één meter hoog; met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten. 3.2. [gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat sprake is van misbruik van recht door [eiser sub 1] c.s. en dat de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Verder is volgens [gedaagde sub 1] c.s. door extinctieve verjaring in de zin van artikel 3:105 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een erfdienstbaarheid ontstaan ten laste van perceel [nummeraanduiding 7] en ten behoeve van perceel [nummeraanduiding 10] . in reconventie 3.3. [gedaagde sub 1] c.s. vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat een erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring ten laste van perceel [nummeraanduiding 7] en ten behoeve van perceel [nummeraanduiding 10] . 3.4. [eiser sub 1] c.s. betwist dat aan de vereisten voor extinctieve verjaring is voldaan. Volgens [eiser sub 1] c.s. is geen sprake van ondubbelzinnig bezit van een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van perceel [nummeraanduiding 10] gedurende minstens twintig jaar. 4De beoordeling in conventie en in reconventie Juridisch kader: bevoegdheid om erf af te sluiten 4.1. Uit artikel 5:48 BW volgt dat [eiser sub 1] c.s. als eigenaar bevoegd is om perceel [nummeraanduiding 7] af te sluiten. Die bevoegdheid kan hem niet geheel worden ontnomen. Dat laat onverlet dat de bevoegdheid in zekere mate kan worden beperkt als sprake is van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Volgens lid 2 van deze bepaling kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Van misbruik van bevoegdheid kan ook sprake zijn als [eiser sub 1] c.s. – kort gezegd – gelet op de belangen van partijen naar redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen. Er worden hoge eisen gesteld aan het aannemen van misbruik van bevoegdheid. Dat betekent dat de kantonrechter bij de beoordeling terughoudend moet zijn. 4.2. De bevoegdheid van [eiser sub 1] c.s. om perceel [nummeraanduiding 7] af te sluiten wordt ook begrensd door artikel 6:2 lid 2 BW. Hieruit volgt dat artikel 5:48 BW niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ook in dit kader moeten de belangen van partijen worden afgewogen en moet de kantonrechter terughoudend zijn. 4.3. In dit geval is perceel [nummeraanduiding 7] belast met een erfdienstbaarheid van weg. Die omstandigheid betekent niet dat [eiser sub 1] c.s. onbevoegd is om het perceel af te sluiten (zie HR 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6598). Maakt hij van zijn bevoegdheid gebruik, dan moet hij ervoor zorgen dat [gedaagde sub 1] c.s. de erfdienstbaarheid onbelemmerd kan uitoefenen. [gedaagde sub 1] c.s. moet op elk moment toegang hebben tot de heersende percelen, zonder daarvoor telkens van de directe medewerking van [eiser sub 1] c.s. afhankelijk te zijn. 4.4. In conventie draait deze zaak dus om de vraag in hoeverre [eiser sub 1] c.s. perceel [nummeraanduiding 7] mag afsluiten. Daarbij moeten de belangen van beide partijen en de gevolgen van de afsluiting voor [gedaagde sub 1] c.s. worden meegewogen. Ook de beoordeling van de reconventionele vordering speelt daarbij een rol, waarover hierna meer. Juridisch kader: extinctieve verjaring 4.5. In reconventie moet worden beoordeeld of perceel [nummeraanduiding 10] door extinctieve verjaring als heersend erf moet worden aangemerkt. De kantonrechter stelt voorop dat een erfdienstbaarheid door verjaring kan ontstaan (artikel 5:72 BW). Op grond van artikel 3:105 BW is voor verkrijging door extinctieve verjaring – kort gezegd – vereist dat [gedaagde sub 1] c.s. of zijn rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.