RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11172527 UV EXPL 24-147 WMB/61313 Vonnis in kort geding van 26 juli 2024 in de zaak van STICHTING ACHMEA DUTCH RETAIL PROPERTY FUND, gevestigd te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Achmea, gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. W.H.J. Luijer. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 juli 2024 met producties; - de conclusie van antwoord; - de mondelinge behandeling van 12 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Op de mondelinge behandeling is Achmea verschenen, vertegenwoordigd door mevrouw [A] , asset manager retail investments bij Achmea, en mevrouw [gemachtigde] , als gemachtigde van Achmea. Ook de heer [B] , medewerker bij [bedrijf] (de beheerder van het gehuurde), was bij de zitting aanwezig. [gedaagde] is verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur, de heer [C] , samen met haar gemachtigde, mr. Luijer. Tijdens de zitting heeft mr. Luijer de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Mevrouw [gemachtigde] heeft geen pleitaantekeningen gebruikt. 1.3. De kantonrechter heeft hierna bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen. 2De beoordeling Kern van de zaak 2.1. [gedaagde] huurt sinds 1 september 2021 een bedrijfsruimte (unit [unitnummer] ) in het pand [object] aan de [adres] in [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte) tegen een huurprijs van € 7.560,58 per maand. Sinds december 2022 is er volgens Achmea een huurachterstand ontstaan die tot en met juni 2024 is opgelopen tot € 121.371,02 en heeft [gedaagde] daarnaast een bedrag van € 5.700,00 aan contractuele boetes verbeurd. Achmea vordert dat [gedaagde] op grond van de huurachterstand wordt veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte binnen een termijn van drie dagen. Daarnaast vordert Achmea betaling van de huurachterstand, de contractuele boetes, de buitengerechtelijke incassokosten, het maandelijkse huurbedrag tot aan de dag van ontruiming en de contractuele boeterente tot aan de dag van de volledige voldoening. [gedaagde] erkent dat er sprake is van een betalingsachterstand, maar verzet zich tegen de vordering tot ontruiming. Volgens haar heeft Achmea op onredelijke wijze en zonder gegronde reden een redelijk voorstel tot indeplaatsstelling van [gedaagde] afgewezen en bovendien door haar handelen de verkoopwaarde van [gedaagde] doen kelderen. De vorderingen van Achmea zullen grotendeels worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom. Spoedeisend belang 2.2. [gedaagde] betwist dat Achmea spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zoals hierna zal worden overwogen (en in deze zaak ook niet ter discussie staat) is er in deze zaak sprake van een huurachterstand van meer dan zestien maanden. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee het spoedeisend belang van Achmea gegeven. Er is sprake van een huurachterstand die in beginsel ontbinding rechtvaardigt 2.3. Achmea vraagt de kantonrechter in deze kortgedingprocedure om de bedrijfsruimte te ontruimen vooruitlopend op een (mogelijke) ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure. Dat is alleen mogelijk als het voldoende aannemelijk is dat de kantonrechter in de bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden. Bovendien moet vast staan dat van de verhuurder in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de huurder nog langer gebruik maakt van het gehuurde, ook al is de huurovereenkomst nog niet rechtsgeldig geëindigd. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van partijen. 2.4. Op de zitting heeft [gedaagde] bevestigd dat de huur al langere tijd niet wordt betaald, waardoor er een huurachterstand van € 121.371,02 is ontstaan. Gelet op de huurprijs van € 7.560,58 staat daarmee vast dat de huurachterstand meer dan zestien huurtermijnen beloopt tot en met de maand juni 2024. Een dergelijke langdurige en hoog opgelopen huurachterstand is een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst door [gedaagde] , die in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. In het algemeen gaat een kantonrechter namelijk bij een huurachterstand van meer dan drie maanden over tot de ontbinding van de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Achmea zich oneigenlijk heeft opgesteld 2.5. Ondanks haar erkenning van de huurachterstand, heeft [gedaagde] zich tegen een ontruiming verzet. Volgens haar heeft Achmea zich oneigenlijk jegens haar opgesteld, waardoor de ontbinding van de huurovereenkomst in dit geval niet gerechtvaardigd zou zijn. 2.6. [gedaagde] voert daarover aan dat Achmea onredelijk heeft gehandeld bij de onderhandelingen over het opnemen van een allonge bij de huurovereenkomst om [gedaagde] tegemoet te komen. [gedaagde] wijst er verder op dat zij al langere tijd probeert om een koper te vinden om haar onderneming voort te zetten in de hoop dat zij de opbrengst daarvan zou kunnen aanwenden om de huurachterstand af te betalen. Volgens [gedaagde] wordt dat haar echter onmogelijk gemaakt door Achmea, doordat Achmea vasthoudt aan de eis uit de huurovereenkomst dat in de bedrijfsruimte een onderneming wordt gedreven die voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen en Achmea onduidelijk houdt wanneer aan die eisen zou zijn voldaan. Concreet voert [gedaagde] aan dat zij al eerder een koper had gevonden en om die reden een redelijk voorstel tot indeplaatsstelling aan Achmea heeft gedaan, maar dat Achmea zonder gegronde reden of nadere toelichting dat voorstel heeft afgewezen. Bovendien is Achmea volgens [gedaagde] nu eigenhandig op zoek gegaan naar een vervangende huurder, waardoor de verkoopprijs van [gedaagde] is gekelderd. i. Het is onvoldoende aannemelijk dat Achmea een verwijt treft voor de mislukte onderhandelingen 2.7. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Achmea zich oneigenlijk jegens [gedaagde] heeft opgesteld bij het opstellen van de allonge. Duidelijk is dat partijen in onderling overleg hebben geprobeerd een passende oplossing te vinden toen bleek dat [gedaagde] in financieel zwaar weer kwam te verkeren en de huurachterstand zou gaan oplopen, maar dat zij daar uiteindelijk niet uit zijn gekomen. [gedaagde] heeft op geen enkele manier onderbouwing aangeleverd voor haar standpunt dat Achmea daarvoor verwijt treft in een mate die de weg staat aan toewijzing van de ontruimingsvordering. ii. Het is onvoldoende aannemelijk dat Achmea onredelijke eisen heeft gesteld aan een nieuwe huurder 2.8. [gedaagde] stelt dat Achmea onredelijke eisen heeft gesteld aan een eventuele nieuwe huurder die in de plaats van [gedaagde] zou worden gesteld. Naar de kantonrechter uit de stellingen van [gedaagde] begrijpt baseert [gedaagde] zich op de regeling van de indeplaatsstelling van artikel 7:307 van het Burgerlijk Wetboek. In dat artikel is bepaald dat een huurder kan vorderen dat hij gemachtigd wordt een derde als huurder in zijn plaats te stellen, als de huurder het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf aan die derde wil overdragen. Een indeplaatsstelling moet worden aangemerkt als een contractsoverneming, waarbij de nieuwe huurder in beginsel geheel in de plaats van de oude huurder treedt. Daarbij kan eventueel sprake zijn van enige wijzigingen in bijvoorbeeld het assortiment of de verkoopformule na de overname, maar moet er nog wel sprake zijn van een voortzetting van het voorheen in het gehuurde uitgeoefende bedrijf. 2.9. Uit de toelichting van [gedaagde] lijkt het er niet op dat de situatie van een voorgestelde indeplaatsstelling als hiervoor bedoeld zich heeft voorgedaan. [gedaagde] heeft eerder een andere huurder voorgesteld aan Achmea. Die huurder – een burgerbar – wilde kennelijk een geheel ander bedrijf gaan uitoefenen in het gehuurde dan [gedaagde] er heeft. Het was dus niet zozeer een indeplaatsstelling vanwege de overdracht van het bedrijf van [gedaagde] , maar het ging blijkbaar met name om de bedrijfsruimte als zodanig. 2.10. Verder heeft [gedaagde] tijdens de zitting verklaard dat zij van Achmea zou willen weten aan welke eisen een bedrijf zou moeten voldoen om door Achmea geaccepteerd te worden als nieuwe huurder. Ook dat wijst niet op de situatie van een bedrijfsovername zoals bedoeld wordt in artikel 7:307 van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat [gedaagde] kennelijk niet (per
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.