Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2024:4596
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/3984 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen [eiser] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [verblijfplaats] , eiser en de Minister van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, verweerder (gemachtigde: J.A.M. de Jong).
Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op eisers verzoek om een beperkt beveiligde afdeling-traject (BBA-traject).
Overwegingen 1.De rechtbank is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van eisers beroep. Daarom doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom zij kennelijk onbevoegd is. Onder ‘kennelijk’ wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Henderson, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Ait-Imchi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 1, aanhef en onder e., van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
Artikel 3, eerste lid, van de Pbw.
Zie de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2020, waarin verwezen wordt naar Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 4. Vergelijk de uitspraak van Rechtbank Groningen van 12 januari 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AA9923.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2020.