RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16.210497-22 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 31 juli 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Polen), wonende [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.E. Hooydonk en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw mr. J.M.M. Pater, advocaat te Emmeloord, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – op neer dat verdachte: 1. primair op 20 augustus 2022 in [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in de woning [adres] , waardoor gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was; subsidiair op 20 augustus 2022 in [woonplaats] in de woning [adres] grovelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat er brand is ontstaan en daardoor gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstond. 2. op 20 augustus 2022 in [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 12,5 milliliter GHB. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte niet opzettelijk brand gesticht heeft. De raadsvrouw heeft gesteld dat brand is ontstaan omdat verdachte een pan op het vuur had staan en deze is vergeten en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. Vrijspraak opzettelijke brandstichting De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in haar woning [adres] in [woonplaats] . Verdachte zal daarom van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. 4.3.2 De bewijsmiddelen Het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde is door verdachte begaan. Verdachte heeft deze feiten bekend en haar raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 3, documentcode MD2R022118-6, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Midden-Nederland, en gesloten op 21 augustus 2022, houdende een verklaring van deze verbalisant (pagina’s 53 en 54 van het proces-verbaal einddossier); het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, proces-verbaalnummer 4, documentcode MD2R022118-5, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie Midden-Nederland, en gesloten op 21 augustus 2022, houdende een verklaring van deze verbalisanten of één van hen (pagina 56 van het proces-verbaal einddossier); het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] [woonplaats] ), proces-verbaalnummer PL0900-2022243922-7, opgemaakt door [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , respectievelijk inspecteur, hoofdagent en brigadier van politie Midden-Nederland, en gesloten op 13 oktober 2022, houdende een verklaring van deze verbalisanten of één van hen (pagina’s 5 en 6 van het proces-verbaal nazending einddossier); het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, proces-verbaalnummer PL0900-2022243922-18, opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie Midden-Nederland, en gesloten op 31 augustus 2022, houdende een verklaring van deze verbalisanten of één van hen (pagina 22 van het proces-verbaal nazending einddossier); een geschrift, te weten een rapport NFIDENT van 31 augustus 2022, zaaknummer 2022.08.31.080, opgemaakt door ing. N. van Doorn, NFI-deskundige forensische drugsanalyse, houdende een verklaring van deze NFI-deskundige (pagina 24 van het proces-verbaal nazending einddossier); de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2024. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1 subsidiair op 20 augustus 2022 te [woonplaats] grovelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam in de keuken van de woning gelegen [adres] een pan met daarin vet en eten die op een brandende gaspit stond is vergeten en (langdurig) heeft laten staan, ten gevolge waarvan het aan haar schuld te wijten is geweest dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor die woning en belendende woningen en zich in die woning en belendende woningen bevindende goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die belendende woningen ontstond; 2 op 20 augustus 2022 te Emmeloord, opzettelijk aanwezig heeft gehad 12,5 milliliter van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 1. subsidiair aan haar schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat 2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf van 160 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte geen straf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit aan verdachte een straf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van 1 jaar. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De aard en ernst van de feiten Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat in haar keuken brand is ontstaan. Zij wilde frikandellen bakken en heeft een pan op een brandende gaspit geplaatst. Vervolgens is zij deze pan (met daarin vet en eten) vergeten, waardoor deze (langdurig) op de brandende gaspit is blijven staan en brand is ontstaan. Verdachte heeft verklaard dat zij GHB had gebruikt en dat zij zich verder weinig kan herinneren. Verdachte heeft tevens op 20 augustus 2022 in [woonplaats] 12,5 milliliter GHB aanwezig gehad. Brandstichting, ook als dat niet opzettelijk maar door schuld gebeurt, betreft een ernstig strafbaar feit, vanwege de zeer gevaarlijke en onvoorspelbare situatie die daarmee in het leven wordt geroepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een brand kan overslaan als er niet geblust wordt. De brand heeft in dit geval geleid tot aanzienlijke schade aan de woning en in de woning aanwezige goederen en tot gevaar voor (goederen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.