Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2024:4760
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/5184 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2024 in de zaak tussen Landgoed Rhijnestein B.V., Protestantse gemeente te Cothen, [eiser 1] en [eiseres 2], [eiser 3] , alle uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. J.W. Verhoeven) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede.
Verder is partij bij de zaak: [A] uit [plaats] .
Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de sloop van een deel van een pand in het beschermde dorpsgezicht van Cothen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college direct had moeten beslissen op de vraag van eisers om de sloop stil te leggen en geeft het college de opdracht om alsnog snel een besluit te nemen. In afwachting daarvan wordt een voorlopige voorziening getroffen die inhoudt dat er nu niet mag worden gesloopt.
Het procesverloop 2. [A] (hierna: de sloper) heeft het voornemen om het bestaande woonhuis met gastenverblijf op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel) te verbouwen naar twee zelfstandige woonhuizen, waarvan één levensloopbestendig zal zijn. Het bestaande gastenverblijf zal hiervoor worden gesloopt. Het college heeft op 22 juni 2023 aan de sloper voor dit initiatief een omgevingsvergunning verleend, voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning, dat door de rechtbank zal worden behandeld op de zitting van 6 september 2024.
Beoordeling door de rechtbank Het college had direct op het handhavingsverzoek moeten beslissen 7. Een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt in beginsel zonder zitting vereenvoudigd behandeld (artikel 8:55b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De rechtbank vindt een zitting in dit geval ook niet nodig en doet daarom direct uitspraak.
Het college krijgt nu nog twee weken om op het handhavingsverzoek te beslissen 10. Uit het voorgaande volgt 1) dat een periode van een dag een redelijke beslistermijn was om op het handhavingsverzoek te beslissen, 2) dat het niet redelijk is om van eisers te vragen om het college eerst in gebreke te stellen en 3) dat het beroep daarom niet te vroeg is ingesteld. Hiermee doet de rechtbank overigens geen uitspraak over de vraag of inderdaad sprake is van een overtreding en of handhavend optreden inderdaad nodig is. Deze procedure gaat immers alleen over de vraag of het college al dan niet tijdig een besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek van eisers. Het antwoord op deze vraag is dat het college te laat beslist heeft.
De rechtbank mag een voorlopige voorziening treffen 14. Met de ordemaatregel van 5 augustus 2024 is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de rechtbank nu uitspraak doet in de hoofdzaak die gekoppeld was aan de voorlopige voorziening, vervalt de ordemaatregel met deze uitspraak (artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb).
Slopen in beschermd dorpsgezicht is ook onder Omgevingswet vergunningplichtig 16. De dorpskern van Cothen met het daarbij gelegen kasteel Rhijnestein is een beschermd dorpsgezicht zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet. De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede is verplicht om in het omgevingsplan blijvend te voorzien in een beschermingsregime voor het beschermde dorpsgezicht. Dat beschermingsregime moet een verbod inhouden op het slopen van in ieder geval de bouwwerken die kort gezegd bijdragen aan de waarde van het beschermde stads- of dorpsgezicht. Deze verplichting volgt uit artikel 4.35, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingsrecht. Het omgevingsplan van de gemeente Wijk bij Duurstede voorziet nu nog niet in dit minimale beschermingsregime voor slopen.
Er is nu geen concreet zicht op legalisatie 18. Het college zal bij de beslissing op het handhavingsverzoek vervolgens in acht moeten nemen dat hij in beginsel gehouden is om handhavend op te treden tegen een overtreding. Alleen bij bijzondere omstandigheden mag het college daarvan afzien. Dat kan het geval zijn als er concreet zich op legalisatie bestaat of als handhavend optreden in een concrete situatie onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
De rechtbank legt een nieuwe sloopstop op 20. In het licht hiervan vindt de rechtbank dat sprake is van een spoedeisende situatie die gelet op de belangen van eisers vergt dat (opnieuw) een voorlopige voorziening wordt getroffen die inhoudt dat er niet mag worden gesloopt in afwachting van de beslissing op het handhavingsverzoek van eisers. Bepalend daarvoor is de onomkeerbaarheid van de sloop in relatie tot de onzekerheid over eventuele vergunningverlening. Het belang van het beschermde dorpsgezicht moet dan voorgaan.
Het college moet de kosten van de procedures betalen 22. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als berekend. Voor de proceshandelingen kijkt de rechtbank niet alleen naar deze procedure over niet tijdig beslissen, maar ook naar de gevraagde voorlopige voorziening waarop met de ordemaatregel is beslist. In die uitspraak is immers opgenomen dat later over de proceskosten zou worden geoordeeld, terwijl de ordemaatregel door deze uitspraak komt te vervallen en er daarom geen nadere beslissing meer mogelijk is in die procedure. De bijstand door een gemachtigde levert daarom 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift). De waarde per punt is € 875,-. De wegingsfactor is 0,25 in procedures over niet tijdig beslissen, in overeenstemming met de uitgangspunten van de rechtbank uit haar uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482. Toegekend wordt € 437,50.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op uiterlijk twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op het handhavingsverzoek van eisers bekend te maken; bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; treft de voorlopige voorziening dat er geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden op het perceel [adres] in [plaats] ; bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de te nemen beslissing op het handhavingsverzoek van eisers, dan wel als een omgevingsvergunning wordt verleend in de zin van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet; veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 437,50; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is op 5 augustus 2024 gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep vanwege niet tijdig beslissen, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de getroffen voorlopige voorziening staat geen beroep of verzet open.