RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 10906543 \ UC EXPL 24-728 Vonnis van 14 augustus 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. G. Gabrelian, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 23 januari 2024, met producties; de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 26 februari 2024, met producties; de brieven aan partijen, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de aanvullende productie van [eiser] , verzonden bij brief van 8 april 2024; de mondelinge behandeling van 22 mei 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] mondeling in reconventie geconcludeerd. 1.2. Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen en uitgesproken. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [eiser] heeft van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021 een kamer (onzelfstandige woonruimte) van [gedaagde] gehuurd. [eiser] heeft op 7 november 2022 twee verzoeken ingediend bij de Huurcommissie met betrekking tot het vaststellen van de servicekosten over de periodes van 1) 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2020 en 2) 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021. [eiser] betaalde over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 in totaal € 1.968,00 aan servicekosten aan [gedaagde] . 2.2. De voorzitter van de Huurcommissie heeft op 27 maart 2023 respectievelijk 15 mei 2023 uitspraken (met zaaknummers 2200166 respectievelijk 2200165) gedaan en naar partijen verzonden, waarin is beslist dat de servicekosten over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 in totaal (€ 296,19 + € 178,30 =) € 474,49 bedragen. Geen van partijen heeft binnen de daarvoor geldende termijnen verzet aangetekend bij de Huurcommissie of de kantonrechter om een beslissing gevraagd zoals bedoeld in artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 2.3. Op 6 juni 2023 is [gedaagde] namens [eiser] gesommeerd om binnen een termijn van vier weken tot betaling over te gaan van een bedrag van (€ 1.968,00 - € 474,49 =) € 1.493,51 ten titel van onverschuldigde betaling. In deze sommatie zijn ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 271,07 inclusief btw aangezegd. [gedaagde] heeft het bedrag van € 1.493,51 niet aan [eiser] betaald. De vorderingen en standpunten van partijen In conventie 2.4. [eiser] stelt dat de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie met zich brengen dat hij in totaal € 1.493,51 (= € 1.968,00 - € 474,49) te veel aan servicekosten heeft betaald aan [gedaagde] . Omdat zowel hij als [gedaagde] niet binnen acht weken na de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie een oordeel van de kantonrechter heeft verzocht, worden partijen op grond van artikel 7:262 lid 1 BW geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraken is vastgesteld. Wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is [eiser] van mening dat de vereisten uit artikel 6:96 lid 6 BW niet van toepassing zijn omdat [gedaagde] een professionele verhuurder is. 2.5. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft in de eerste plaats, samengevat, aangevoerd dat de regelgeving omtrent particuliere verhuur van woningen en het hieraan gekoppelde overheidsbeleid, zoals het puntensysteem, buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Die wet- en regelgeving is in strijd met artikel 22 lid 2 van de Grondwet (hierna: GW). Daarnaast is [gedaagde] van mening dat hij niet gehouden kan worden aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie over de servicekosten, omdat de procedure bij de Huurcommissie niet is verlopen volgens de beginselen van een behoorlijke procesorde. [gedaagde] betwist verder dat hij een professionele verhuurder is. In reconventie 2.6. Op zijn beurt stelt [gedaagde] tegenvorderingen in (eisen in reconventie). Ten eerste vraagt hij de kantonrechter om uitspraak te doen over de ongrondwettelijke regelgeving omtrent particuliere verhuur en het hieraan gekoppelde overheidsbeleid, zoals het puntensysteem. Ten tweede vraagt hij de kantonrechter om de uitspraken van de Huurcommissie terzijde te leggen. Tot slot vraagt hij de kantonrechter een redelijke kale huur, servicekosten, belastingen en heffingen vast te stellen. 2.7. [eiser] voert verweer tegen deze tegeneisen. Hij voert, samengevat, aan dat [gedaagde] onvoldoende belang heeft bij de eerste eis in reconventie. Wat betreft de tweede eis voert [eiser] aan dat [gedaagde] te laat is met het instellen van deze tegenvordering en er geen redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding door [gedaagde] gerechtvaardigd is. De beoordeling van de kantonrechter In conventie en reconventie 2.8. De kantonrechter beoordeelt het geschil in conventie en in reconventie tezamen vanwege de samenhang tussen de vorderingen en stellingen van partijen in conventie en reconventie. Huurrecht woonruimte & Regelgeving/beleid 2.9. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] met zijn eerste tegeneis de kantonrechter vraagt om te oordelen dat het huurrecht inzake woonruimte, meer in het bijzonder artikel 7:262 lid 1 BW, en het daaraan gekoppeld overheidsbeleid in strijd zijn met artikel 22 lid 2 GW (te weten: de zorgplicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen). De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] betoogt dat vanwege deze strijdigheid met artikel 22 lid 2 GW in ieder geval artikel 7:262 lid 1 BW buiten toepassing moet blijven, met als gevolg dat hij niet aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie is gebonden. 2.10. De (kanton)rechter mag een wet in formele zin, wat het BW is, niet aan de GW toetsen (artikel 120 GW). Alleen al hierom kan de kantonrechter [gedaagde] niet volgen in zijn betoog dat artikel 7:262 lid 1 BW buiten toepassing gelaten moet worden vanwege de gestelde strijdigheid met artikel 22 lid 2 GW. De algemene stelling van [gedaagde] dat het huurrecht inzake woonruimte, anders dan wetten in formele zin, en het daaraan gekoppeld overheidsbeleid in strijd is met artikel 22 lid 2 GW, verwerpt de kantonrechter als niet voldoende gemotiveerd. De enkele stelling van [gedaagde] , dat de overheid haar taak om als neergelegd in artikel 22 lid 2 GW niet (goed) vervult en particuliere verhuurders middels beleid en andere overheidsmaatregelen met die taak en de daarmee gepaard gaande financiële lasten opzadelt, is onvoldoende om wet- en regelgeving buiten toepassing te laten zoals [gedaagde] betoogt.De kantonrechter verwerpt daarom ook de stelling van [gedaagde] dat hij vanwege vorenbedoelde gestelde strijdigheid niet aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie is gebonden. 2.11. Op grond van al het voorgaande wijst de kantonrechter de eerste tegeneis van[gedaagde] af. Procedure bij de Huurcommissie 2.12. De uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie over de servicekosten zijn op 27 maart 2023 respectievelijk 15 mei 2023 aan [eiser] en [gedaagde] verstuurd. Zij hebben hiertegen niet binnen drie weken nadien verzet aangetekend of binnen acht weken nadien de kantonrechter om een beslissing verzocht zoals bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW. Dat brengt met zich dat [eiser] en [gedaagde] worden geacht te hebben afgesproken dat [eiser] over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 een bedrag van € 474,49 aan servicekosten aan [gedaagde] verschuldigd is. 2.13. De tweede tegeneis van [gedaagde] , namelijk het terzijde leggen van de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie, had [gedaagde] kunnen bewerkstelligen door slechts tijdig een beslissing van de kantonrechter te vorderen over de servicekosten. [gedaagde] heeft op 26 februari 2024 door middel van zijn conclusie van antwoord tevens eis in reconventie een vordering zoals bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW ingediend. Dat is te laat. Dat [gedaagde] niet tijdig deze vordering heeft ingediend komt en blijft voor zijn rekening en risico. 2.14. Omdat de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie in rechte vaststaan doordat geen van partijen tijdig daartegen een rechtsmiddel heeft aangewend,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.