RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/566647 / HA ZA 23-741 Vonnis van 14 augustus 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C.W. Wernink, tegen 1 [gedaagde sub 1] B.V., te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2], te [woonplaats 2] ,3. [gedaagde sub 3], te [woonplaats 3] , gedaagde partijen, advocaat: mr. J.P. van den Brink. Gedaagden zullen in het navolgende worden aangeduid als [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . 1Samenvatting 1.1. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben een boek geschreven genaamd ' [boektitel] ', dit boek is uitgegeven door [onderneming 1] , onderdeel van [gedaagde sub 1] . Het boek gaat over de bestuurscultuur in [provincie] . In het boek komt ook [eiser] voor. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben over [eiser] geschreven: “Hij maakte zich schuldig aan belangenverstrengeling bij een gronddeal met [waterschap] ” Volgens [eiser] hebben gedaagden vanwege deze passage onrechtmatig jegens hem gehandeld en moet dit worden gerectificeerd. Daarnaast wil [eiser] dat gedaagden staken met de verspreiding van het boek en het houden van lezingen en boekpresentaties. 1.2. De vorderingen worden afgewezen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 17 producties. - de conclusie van antwoord met 7 producties. - de brief d.d. 2 april 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald. - de mondelinge behandeling van 2 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. In de gemeente [gemeente] ligt het [gebied] . [beek] is in het verleden gekanaliseerd. In 2005 wordt een project ter herinrichting van het [gebied] gestart, met het doel de beek weer te laten meanderen. Om het herinrichtingsproject te realiseren blijkt kavelruil, aan- en verkoop van gronden en wijziging van bestemming en gebruik benodigd. Hiervoor is het uitganspunt dat agrariërs in het gebied niet worden onteigend, maar dat zij vrijwillig medewerken. [eiser] is grondbezitter in de gemeente [gemeente] en heeft onder andere grond in het [gebied] . 3.2. In december 2009 wordt het ontwerp-inrichtingsplan vastgesteld door de stuurgroep [gebied] waarin het project verder is uitgewerkt. In de periode 2010 tot 2021 was [eiser] wethouder te [gemeente] , ‘grondzaken’ viel in zijn portefeuille. De ontwikkeling van het [gebied] viel daar niet onder. 3.3. In 2010 begint de uitvoering van het project, waarbij de leiding van het project over gaat van de gemeente [gemeente] op het waterschap. Tussen 2012 en 2015 zijn er verschillende (onderhandelings)gesprekken gevoerd tussen het waterschap en de familie [achternaam van eiser] over het [gebied] en de verkoop van hun grond ten uitvoering van het herinrichtingsproject. Sommige van deze gesprekken met [eiser] hebben bij [eiser] thuis of bij de broer van [eiser] thuis plaatsgevonden. [eiser] was daar soms ook bij aanwezig. 3.4. In de zomer van 2016 krijgt waarnemend dijkgraaf de heer [A] , een partijgenoot van [eiser] , een rol in de onderhandelingen tussen het waterschap en de familie [achternaam van eiser] . In november 2016 wordt er een lijst met 32 punten die nog open zouden staan vanuit [eiser] en familie aan het waterschap verzonden. Op 17 december 2016 is een overeenkomst tot aan- en verkoop van gronden en vestiging van kwalitatieve verplichtingen tot stand gekomen, de 32 punten stonden toen nog open. 3.5. In 2018 wordt [eiser] vicevoorzitter van [partijnaam 1] in het waterschap. Dat hij deze functie had werd niet openbaar gemaakt. Tevens in 2018 wordt namens [eiser] en familie een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan ‘ [....] ’ ingediend. Vier onderdelen zien op de grond van [eiser] . Nadat het bestemmingsplan was vastgesteld, is door [eiser] bezwaar gemaakt tegen het bestemmingsplan. Toen dit niet leidde tot aanpassing van het bestemmingsplan heeft [eiser] met zijn familie beroep ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit beroep is door hen voorafgaand aan de behandeling ingetrokken. 3.6. Op 12 juni 2020 zijn de aktes van aan- en verkoop van gronden en vestiging van kwalitatieve verplichtingen inzake de grond van [eiser] in het [gebied] gepasseerd. 3.7. In 2021 trad [eiser] af als wethouder van de gemeente [gemeente] wegens deze kwestie na een in de gemeenteraad ingediende motie van wantrouwen. 3.8. Naar aanleiding van een brief van de advocaat van [eiser] hebben gedaagden bij mail van 28 april 2023 toegezegd in een volgende druk en in de digitale versies van het boek een tekstaanpassing te doen. De tekstaanpassing ziet op een tweetal passages, namelijk: De passage: “in de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap was [partijnaam 2] niet kritisch over de deal met [eiser] , hun eigen vicevoorzitter.” zal worden: “In de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap was [partijnaam 1] niet kritisch over de deal met [eiser] , hun eigen vicevoorzitter. [eiser] bekleedde die functie binnen [partijnaam 1] sinds 2018 (twee jaar na de gronddeal).” De passage: “Andere fracties in het algemeen bestuur wisten overigens niet dat [eiser] ook vicevoorzitter was van [partijnaam 2] .” zal worden: “Andere fracties in het algemeen bestuur wisten overigens niet dat [eiser] inmiddels (sinds 2018, twee jaar na de gronddeal) vicevoorzitter was van [partijnaam 1] .” 4De beoordeling Vrijheid van meningsuiting versus recht op eerbiediging goede naam 4.1. Het gaat in deze zaak om een botsing van fundamentele rechten. Aan de kant van [eiser] het recht op eerbiediging van zijn eer en goede naam en aan de kant van gedaagden het recht op vrijheid van meningsuiting. 4.2. Toewijzing van (een van) de vorderingen van [eiser] houdt een beperking in van het in artikel 7 Grondwet en artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde recht van gedaagden op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan alleen worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn (artikel: 6:162 BW). 4.3. Welk recht uiteindelijk zwaarder weegt, hangt af van aan wiens belang in de gegeven omstandigheden meer gewicht toekomt. Het belang aan de zijde van [eiser] is het belang niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Aan de zijde van gedaagden, met name [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , is het belang het kunnen vervullen van de journalistieke waakhondfunctie waardoor zij zich waarschuwend, informerend, opiniërend en kritisch moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. 4.4. Bij de weging van beide belangen is onder meer relevant: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.