RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16-131978-23; 10-236093-22 (ttz gev.) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 3 september 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [2003] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] te [woonplaats]hierna te noemen: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 mei 2024 (16-131978-23) en 20 augustus
(40)zijn geweest. Verder is van enige nadelige gevolgen hiervan voor verdachte niet gebleken. Dadelijk uitvoerbaar Verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 16-131978-23 primair bewezenverklaarde schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Gelet op het advies van de deskundigen waarin het recidiverisico als gemiddeld tot hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, zonder de noodzakelijke en passende begeleiding en behandeling, opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan verdachte worden opgelegd en het toezicht door de jeugdreclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn. 9BENADEELDE PARTIJ 9.1 [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.288,85. Dit bedrag bestaat uit € 788,85 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. 9.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 3.538,85, te weten € 788,85 aan materiële schade en € 2.750,00 aan immateriële schade, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering te worden verklaard. 9.1.2 Het standpunt van de verdediging Uit de vordering blijkt niet dat het T-shirt, de trui en het horloge onherstelbaar beschadigd zijn. Niet duidelijk is verder waarom niet enkel het glas van het horloge vervangen is. Ook is niet duidelijk is dat de schade aan de telefoon bij het incident is ontstaan. De offerte van de telefoon is ruim na het incident opgemaakt en er zijn geen foto’s van de telefoon direct na het incident. Subsidiair dient de afschrijving voor de kleding, gelet op de ouderdom, 50% te zijn. De immateriële schade dient gematigd te worden tot een bedrag van € 500,00 tot € 1.000,00. Verdachte heeft uitsluitend uit zelfverdediging geslagen en hij heeft het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Gelet op het beperkte letsel van het slachtoffer, is het gevorderde bedrag buitensporig. Daarnaast kunnen er vraagtekens gezet worden bij de impact die het incident op het slachtoffer heeft gehad, nu het slachtoffer na het incident in het uitgaansleven is gezien. 9.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. Materiële schade De rechtbank acht de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor de kleding, het horloge, de telefoon en het eigen risico voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Aangever heeft bij zijn aangifte melding gemaakt van schade aan zijn horloge en telefoon en in het dossier bevinden zich foto’s van het horloge en de telefoon kort na het bewezenverklaarde. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de door de benadeelde partij gehanteerde afschrijving op de kleding. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade geheel toewijzen. Immateriële schade Op grond van artikel 6:106 sub b BW komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank stelt op basis van het dossier en de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde en dat de benadeelde partij anderszins in zijn persoon is aangetast door het psychische leed dat hij heeft overgehouden aan het bewezenverklaarde. Dat dit psychische leed is geleden, ligt gelet op de hiervoor (onder 8.3 onder het kopje “ernst van de feiten”) beschreven aard en ernst van de normschending ook voor de hand. Rekening houdend met wat in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding wordt toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 2.750,00. Verdachte is met zijn medeverdachte(
- n)verantwoordelijk voor de gehele schade. De rechtbank zal de vordering daarom tot een bedrag van € 3.538,85 hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.538,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank zal, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, geen gijzeling als dwangmiddel bij niet betalen opleggen. 9.2 [benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 155,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. 9.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk toe te wijzen, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. 9.2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard. [benadeelde] is niet de aangever in deze zaak en geen partij, alleen getuige. Bovendien is in het dossier geen aanknopingspunt te vinden voor de geclaimde schade aan het horloge. 9.2.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en acht deze voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Deze schade is aan te merken als rechtstreekse schade. [benadeelde] heeft verklaard dat zij tijdens het incident, terwijl zij [slachtoffer] probeerde te beschermen, tegen haar pols werd getrapt. Aangever [slachtoffer] heeft bij zijn aangifte melding gemaakt van schade aan het horloge van [benadeelde] en in het dossier bevinden zich foto’s van het horloge kort na het incident. Verdachte is met zijn medeverdachten verantwoordelijk voor de gehele schade. De rechtbank zal de vordering daarom tot een bedrag van € 155,00 hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht. De rechtbank zal, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, geen gijzeling als dwangmiddel bij niet betalen opleggen. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 180, 266, 267, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het onder primair van parketnummer 16-131978-23 en het onder 1, 2 en 3 van parketnummer 10-236093-22 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het onder primair van parketnummer 16-131978-23 en het onder 1, 2 en 3 van parketnummer 10-236093-22 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het onder primair van parketnummer 16-131978-23 en het onder 1, 2 en 3 van parketnummer 10-236093-22 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 138 dagen; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte: * zich in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding gedurende de proeftijd meldt bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, Paasheuvelweg 9, 1105 BE Amsterdam, 088 – 526 00 00, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen van die instelling; * meewerkt aan een behandeling door een forensisch FACT team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven; * indien de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting dit nodig vindt, meewerkt aan ambulante begeleiding door een zorgverlener te bepalen door de jeugdreclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding; * meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een gestructureerde dagbesteding, in de vorm van een opleiding en/of betaald werk. Indien de jeugdreclassering dit nodig acht werkt verdachte mee aan een traject met een jobcoach; - waarbij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Dadelijke uitvoerbaarheid - beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 75 uren; - beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 37 dagen jeugddetentie; Voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis; Benadeelde partijen (16-131978-23 primair) [slachtoffer] - wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.538,85, bestaande uit € 788,85 materiële schade en € 2.750,00 immateriële schade; - veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; - verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.538,85 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, er geen aanvullende gijzeling wordt opgelegd; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; [benadeelde] - wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 155,00, bestaande uit materiële schade; - veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 155,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, er geen aanvullende gijzeling wordt opgelegd; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. I.G.C. Bij de Vaate, kinderrechter, en L.M. Rödel, rechter, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2024. mr. L.E. Verschoor-Bergsma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 16-131978-23 hij op of omstreeks 28 mei 2023 te Soest tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,hheeft/hebben hij, verdachte en/of een mededaders, die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) (met kracht) geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, van die voornoemde [slachtoffer] ,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 28 mei 2023 te Soest, althans in Nederland, openlijk, te weten, aan de Birkstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door meermalen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) (met kracht) te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd van die voornoemde [slachtoffer] ;( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 10-236093-221 hij in of omstreeks de periode van 17 september 2022 tot en met 18 september 2022 te Rotterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [buitengewoon opsporingsambtenaar 1] en/of [buitengewoon opsporingsambtenaar 2] en/of [buitengewoon opsporingsambtenaar 3] en/of [buitengewoon opsporingsambtenaar 4] , allen buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door- die [buitengewoon opsporingsambtenaar 1] bij de keel te pakken en/of daarin te knijpen,- zijn arm te bewegen in een richting tegengesteld als die waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem, verdachte, trachtten te geleiden en/of- om zich heen te slaan;( art 180 Wetboek van Strafrecht ) 2hij in of omstreeks de periode van 17 september 2022 tot en met 18 september 2022 te Rotterdam, [buitengewoon opsporingsambtenaar 1] en/of [buitengewoon opsporingsambtenaar 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [buitengewoon opsporingsambtenaar 1] en/of die [buitengewoon opsporingsambtenaar 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie allemaal dood maken",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 3hij in of omstreeks de periode van 17 september 2022 tot en met 18 september 2022 te Rotterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [buitengewoon opsporingsambtenaar 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankersukkel dat je bent", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met registratienummer PL0900-2023156820 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 107 en het proces-verbaal met registratienummer PL0900-2023156820, opgemaakt door [verbalisant] , politie Eenheid Midden Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , pagina 12. Proces-verbaal van aanvullend verhoor [slachtoffer] , pagina 15. Een geschrift, te weten een afschrift van een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] van 30 mei 2023, opgesteld door [huisarts] , huisarts, pagina 107. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 18. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 20. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 21. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 11 december 2023, blad 4. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 23. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 24. Verklaring verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2024.