RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 9129659 UC EXPL 21-2699 MAR/1217 Vonnis van 11 september 2024 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, gemachtigde: mr. S.W. Polak, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. M.M. Klunder. Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 november 2021; - de akte bewijslevering met productie I en II van 15 december 2021 van [eisende partij] ; - de akte levering tegenbewijs van 26 januari 2022 van [gedaagde] ; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 14 juni 2022; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 29 november 2022; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 april 2023; - de conclusie na enquête met productie III van 1 november 2023 van [eisende partij] ; - de antwoordconclusie na enquête met productie 10 van 3 januari 2024 van [gedaagde] ; - de “Conclusie Openbaar Ministerie” van 15 maart 2024, op de griffie ontvangen op 3 april 2024; - de brief van 30 april 2024 van [gedaagde] ; - de brief van 24 mei 2024 van [eisende partij] . 1.2. Daarna is bepaald dat op 26 juni 2024 uitspraak zou worden gedaan. 1.3. Op 14 juni 2024 heeft de Officier van Justitie het verzoek gedaan nadere stukken onder de aandacht van de kantonrechter te mogen brengen. De kantonrechter heeft dit toegestaan. Op 27 juni 2024 heeft de griffier dit aan de Officier van Justitie laten weten en verzocht de stukken uiterlijk 10 juli 2024 toe te sturen. De gemachtigden van partijen zijn hiervan ook op de hoogte gesteld en aan hen is meegedeeld dat zij tot 24 juli 2024 de gelegenheid hebben op de nadere stukken van het Openbaar Ministerie te reageren. 1.4. Op 10 juli 2024 zijn van het Openbaar Ministerie drie processen-verbaal van verhoor in verband met verdenking van meineed ontvangen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd. Op 9 augustus 2024 is daarop van de kant van [eisende partij] gereageerd. Van [gedaagde] is op 5 augustus 2024 een reactie ontvangen. 1.5. Daarna is opnieuw bepaald dat uitspraak zal worden gedaan. Nu volgt dit vonnis. 2De kern van de zaak 2.1. [eisende partij] heeft voor [gedaagde] werkzaamheden verricht. Op de bouwplaats is hij gevallen. Over de toedracht verschillen partijen van mening. [gedaagde] vindt dat het niet om een arbeidsongeval gaat en heeft aansprakelijkheid afgewezen. In deze procedure gaat het om de vraag of sprake is van een arbeidsongeval waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is en [eisende partij] recht heeft op schadevergoeding. De kantonrechter vindt van wel. 3De beoordeling inleiding 3.1. In juni 2020 werkte [gedaagde] in opdracht van de particuliere eigenaar van het [adres] in [woonplaats] aan de (ruw)bouw van een te realiseren nieuwbouwwoning. Op 26 juni 2020 heeft [eisende partij] als zzp’er bij dit bouwproject werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . Die dag heeft daar een ongeval plaatsgevonden waarbij [eisende partij] letsel heeft opgelopen. Volgens [eisende partij] gaat het om een arbeidsongeval, waarvoor hij [gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld. [gedaagde] heeft dat afgewezen. Volgens hem is sprake van een ongeluk na werktijd. Om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid is [eisende partij] deze procedure gestart. wat vordert [eisende partij] ? 3.2. [eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eisende partij] geleden en nog te lijden schade door het ongeval; [gedaagde] veroordeelt om aan [eisende partij] te vergoeden alle door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente, voor wat betreft het smartengeld vanaf de datum van het ongeval en over de overige schadeposten vanaf de datum en het ontstaan daarvan of de datum van betekening van deze dagvaarding, tot de dag waarop de schade geheel zal zijn vergoed; [gedaagde] in de kosten van deze procedure veroordeelt, waaronder het griffierecht, de eigen bijdragen en de nakosten. wat is er al beslist? 3.3. Na de mondelinge behandeling van 7 oktober 2021 heeft de kantonrechter op 17 november 2021 uitspraak gedaan. De kantonrechter heeft in die uitspraak overwogen dat [eisende partij] en [gedaagde] van mening verschillen over de toedracht van het ongeval en in het verlengde daarvan over de vraag of het ongeval kwalificeert als arbeidsongeval. Volgens [eisende partij] is hij tijdens zijn werk van het dak van de woning die gebouwd werd gevallen, terwijl [gedaagde] zegt dat [eisende partij] van een zeecontainer is gevallen en dat het na werktijd gebeurde. Daarom heeft de kantonrechter beslist dat eerst de toedracht van het ongeval opgehelderd moet worden, en dat het aan [eisende partij] is die toedracht te bewijzen, voordat de vraag kan worden beantwoord of sprake is van een arbeidsongeval. Daarom is [eisende partij] in het vonnis van 17 november 2021 opgedragen te bewijzen dat hij op 26 juni 2020 tijdens zijn werk van het dak van woning in aanbouw is gevallen. bewijsopdracht over toedracht 3.4. [eisende partij] heeft aangegeven dat hij dat zowel met schriftelijke stukken wil bewijzen als door het horen van getuigen. Bij de schriftelijke stukken gaat het om een kopie van een anonieme handgeschreven brief die [eisende partij] heeft ontvangen en medische informatie van de Spoedeisende Eerste Hulp. Verder heeft [eisende partij] het strafrechtelijk procesdossier ‘Austin’ overgelegd. Dit dossier bevat het rapport van het onderzoek dat de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft gedaan en wat door de strafrechtelijke vervolging van [gedaagde] is voortgezet als strafrechtelijk onderzoek. Verder zijn op drie momenten door de kantonrechter getuigen gehoord. Aan de kant van [eisende partij] zijn op 14 juni 2022 naast [eisende partij] nog vier andere getuigen gehoord en op 29 november 2022 is nog een vijfde getuige gehoord. Voor [gedaagde] zijn op 29 november 2022 twee getuigen gehoord en op 12 april 2023 is een laatste getuige aan de kant van [gedaagde] gehoord. Na de getuigenverhoren hebben partijen een conclusie na enquête genomen. Verder heeft de Officier van Justitie in deze zaak aanleiding gezien te concluderen (artikel 42 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Partijen hebben daarna gebruik gemaakt van de mogelijkheid die lid 3 van dat artikel biedt om op de conclusie van het OM per brief te reageren. hoe gaat het nu verder? 3.5. De kantonrechter gaat in dit vonnis nu het bewijs, dat zijn de schriftelijke stukken en de verklaringen van de getuigen die de kantonrechter heeft gehoord, beoordelen (waarderen). In deze zaak ligt het redelijk zwart/wit: de lezingen van partijen over wat er op de 26e juni 2020 is gebeurd liggen zover uit elkaar dat de scenario’s niet met elkaar te verenigen zijn of te verklaren zijn vanuit een verschillende waarneming van hetzelfde voorval. Met andere woorden, of de ene partij of de andere partij spreekt (niet) de waarheid. Verder merkt de kantonrechter op dat het voor de kwalificatie arbeidsongeval niet alleen nodig is dat komt vast te staan 1) dat [eisende partij] een ongeval is overkomen maar ook 2) dat dat tijdens het werken is gebeurd. Over het eerste aspect, dat [eisende partij] gevallen is, bestaat tussen partijen in feite geen discussie. Het spitst zich vooral toe op de vraag of het ongeluk tijdens zijn werk is gebeurd. Daarbij geldt dat de exacte toedracht niet hoeft komen vast te staan (zie ook 3.25 waar het toetsingskader voor werkgeversaansprakelijkheid vermeld staat). 3.6. Nu volgt eerst de bewijswaardering door de kantonrechter. Daarna zal, voor zover dat nog nodig is, worden ingegaan op wat partijen in de (antwoord)conclusies na enquête hebben opgemerkt. bewijs toedracht geleverd 3.7. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [eisende partij] er in is geslaagd te bewijzen dat hij van het dak (de derde verdiepingsvloer) is gevallen terwijl hij nog aan het werk was. Dat wordt hierna vanaf punt 3.8 verder toegelicht. De versie van [gedaagde] bestempelt de kantonrechter als onwaar en in strijd met de waarheid afgelegd. Dat wordt vanaf rechtsoverweging 3.13 verder toegelicht. val van verdieping tijdens werk 3.8. [eisende partij] heeft als partijgetuige zijn eigen versie over de toedracht herhaald. Daarbij heeft hij verduidelijkt dat hij, voordat hij viel, op de bovenste verdiepingsvloer (de zolderverdieping) stond, niet op het dak. Hij stond daar omdat er nog twee pallets met giboblokken naar die verdieping moesten worden gehesen. Dat ging met een kraan. “Om de pallet gaan spanbanden/singels. Het betreft vier haken en twee banden. (…). De kraanmachinist was [getuige 1] . De lading moest bovenop de verdiepingsvloer worden gezet. Ik ben binnendoor gegaan naar boven en de lading werd door een gat in het dak op de verdiepingsvloer neergezet. Het paste er precies doorheen en ik kon er net doorheen om de haken los te maken. Daarna bewoog de lading nog en hierdoor viel ik naar beneden. Het gaat om een schuin dak met een gat erin. De kapel moest daar nog bovenop gezet worden. De pallet stond al, maar er is iets gebeurd waardoor de lading bewoog en dat heeft mij van het dak afgeduwd. (…) Ik viel op een betonnen vloer op de eerste verdieping, dat is de uitbouw. Ik heb de buurvrouw nog gezien in haar tuin omdat ik om mij heen keek of er iemand kwam om mij te helpen.” Ook heeft hij verklaard dat hij op een pallet is gelegd en hij met een verreiker naar beneden is gehaald en vervolgens in de bus van [gedaagde] is gelegd, die hem naar het ziekenhuis heeft gebracht. 3.9. De verklaring van [eisende partij] waar hij zegt dat het ongeluk tijdens zijn werk is gebeurd wordt ondersteund door dat wat de kraanmachinist, [getuige 1] , heeft verklaard als getuige bij de kantonrechter. Uit zijn verklaring valt af te leiden dat er nog gewerkt werd kort voor het ongeval. “Het was één van de laatste dingen waar we mee bezig waren.” verklaart [getuige 1] . Over de werkzaamheden heeft [getuige 1] gezegd dat hij pallets met kalkzandstenen aan het hijsen was en dat hij aanwijzingen kreeg, van [eisende partij] of iemand anders. De pallet heeft hij door een gat in het dak laten zakken. Omdat hij op een gegeven moment geen aanwijzingen meer kreeg en er ook geen reactie kwam op zijn vragen en hij via de camera van de kraan ook niks zag, is hij uit de cabine van de kraan gestapt. Op dat moment hoorde hij iemand heel hard schreeuwen, het geluid kwam vanaf de achterkant van de woning. Hij is zelf niet gaan kijken maar er werd hem gezegd dat er iemand was gevallen. Later zag hij dat [eisende partij] in de bak van een shovel lag. De val zelf heeft hij niet gezien. 3.10. Dat er nog volop gewerkt werd op het perceel van het [adres] kan ook worden afgeleid uit de getuigenverklaringen van de heer [getuige 2] en mevrouw [getuige 3] . Zij zaten die middag in hun tuin. Hun tuin grenst aan het perceel van [adres] . De heer [getuige 2] verklaart dat hij “een rijdende machine, iets van een shovel.” hoorde en dat hij en zijn vrouw daarna op een gegeven moment een man heel hard hebben horen schreeuwen en vervolgens heel hard voortdurend hebben horen kermen. “Dat hield ook steeds aan. Wij werden er allebei heel naar van.” Ook mevrouw [getuige 3] heeft aan de kantonrechter verteld dat zij en haar man in de tuin zaten en “een ijselijke kreet” hoorden waar zij enorm van schrok. Daarna volgde een heel naar gekerm. 3.11. Dat [eisende partij] is gevallen terwijl hij nog aan het werk was, kan verder ook worden afgeleid uit dat wat mevrouw [getuige 4] , ook een buurvrouw, als getuige heeft verklaard. Bovendien bevestigt haar verklaring die van [eisende partij] dat hij na zijn val op het dak van de uitbouw terecht is gekomen. [getuige 4] heeft namelijk onder meer verklaard: “Achter ons wordt een huis gebouwd. Het ligt vlakbij de erfgrens van onze tuin. Af ten toe hoorden wij herrie, graafmachines en muziek. Ik dacht even van wat zijn ze nu hard aan het meezingen. Maar het bleek een enorm geschreeuw te zijn. Ik schrok vreselijk. Ik liep naar buiten, naar de hoek waar ik het hoorde. (…) Toen ik naar de hoek van ons perceel ging, zag ik 4/5 mensen op de vloer van de eerste verdieping staan. Daar kwam een enorm gekerm vandaan. Het ging door merg en been. Er zat toen nog geen dak op. Het was 8 of 10 meter hoog. Ik zag mannen staan. Ze zagen mij ook. Ze konden zo de tuin in kijken. De mannen stonden in een kringetje om iets of iemand heen. Ik zag hem niet liggen. Maar hoorde wel dat het geluid daar vandaan kwam. Toen was het even stil. Ik dacht toen hij is dood. Toen hoorde ik weer gekerm, gelukkig. Het werk werd toen stil gelegd. (…) Dus ik wachtte op een ambulance of helikopter, maar die kwam niet. Het geschreeuw ging door. Tot mijn grote verbazing kwam er een verreiker aanrijden. Die ging omhoog. Meneer werd toen op een soort pallet gelegd. Het was een enorm gehannes. Een grote vent stond erbij op de verreiker. Het gebeurde aan de achterkant. Ze zijn hobbelend om het huis naar de voorkant gereden en hij is in een zwart busje gelegd. Ik was verbijsterd. Het busje was dicht, maar daar doorheen hoorde ik hem nog krijsen.” Verder heeft [getuige 4] ook verklaard: “De kraan bungelde boven het dak. Ik hoorde het geschreeuw, toen ben ik naar buiten gegaan. De kraan was op dat moment nog uitgeschoven, en werd op dat moment ingeschoven. Ik dacht daarom dat er een plaat op iemand was gevallen.” En als laatste verklaart [getuige 4] : “Ik weet absoluut zeker dat meneer op een verdiepingsvloer lag.” 3.12. Ook bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) zijn verklaringen afgelegd. Het dossier ‘Austin’ bevat een proces-verbaal van verhoor van [eisende partij] als slachtoffer en een verklaring van [gedaagde] als verdachte. Verder zijn er processen-verbaal van verhoor opgemaakt van verschillende getuigen, onder wie de kraanmachinist [getuige 1] en buurvrouw [getuige 4] . De kantonrechter constateert dat ook de conclusie van het NLA bevestigt dat het ongeluk is gebeurd terwijl [eisende partij] aan het werk was. De NLA komt in het rapport ‘Austin’ namelijk tot de volgende beschrijving over de toedracht van het ongeval (p. 21): “Op 26 juni 2020 werkte (…) [eisende partij] als ZZP-er onder gezag van verdachte eenmanszaak [handelsnaam] , op de bouwplaats gelegen aan het [adres] te [woonplaats] , waar een woning gebouwd werd. Op die dag werden er bouwmaterialen met de mobiele telescopische kraan naar de zolderverdieping gehesen. Deze bouwmaterialen werden via een opening in het dak van de woning in aanbouw op de zolderverdieping geplaatst. In het dak was een opening aanwezig zodat er op een later moment in het bouwproces een dakkapel geplaatst kon worden. Tijdens het afkoppelen van de last bevond slachtoffer (…) [eisende partij] zich op de zolderverdieping, nabij de opening. Toen hij de last afkoppelde raakte de last ontzet, waardoor hij uit de opening werd geduwd. Hij maakte een val van ruim vier meter en kwam neer op het dak van de onderliggende aanbouw. Hierbij heeft het slachtoffer (…) [eisende partij] zwaar lichamelijk en blijvend letsel opgelopen. De opening in het dak was vrij toegankelijk en er waren geen voorzieningen getroffen om valgevaar zoveel als mogelijk te doen voorkomen. Dit valgevaar heeft zich verwezenlijkt (…). Door meerdere personen die op de bouwplaats aanwezig waren, waaronder de verdachte, is het slachtoffer middels een verreiker van het dak van de aanbouw gehaald en vervolgens in de bus van verdachte geplaatst: vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer naar het ziekenhuis gebracht.” geen val van zeecontainer na werktijd 3.13. [eisende partij] heeft aan zijn kant ook [gedaagde] als getuige laten horen. De verklaring van [gedaagde] draagt op geen enkele manier bij aan het bewijs dat [eisende partij] moet leveren dat het ongeval tijdens het werk is gebeurd. Integendeel, uit dat wat [gedaagde] onder ede bij de kantonrechter heeft verklaard volgt een compleet ander verhaal: [eisende partij] zou na werktijd van een zeecontainer zijn gevallen terwijl hij zijn collega’s voor de grap wilde belagen met een emmer water. Toch is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partij] in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Het verhaal van [gedaagde] is volstrekt ongeloofwaardig. De kantonrechter kent er dan ook geen waarde aan toe. Wat daarvan precies de reden is, wordt nu verder toegelicht. 3.14. [gedaagde] (die met de achternaam [achternaam] vermeld staat in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 juni 2022) houdt ook tijdens zijn verhoor als getuige in deze procedure vol dat het werk al klaar was en men met een aantal mensen aan de achterkant van de woning wat aan drinken was. In zijn verklaring staat: “(…) we waren in euforische stemming omdat we op tijd klaar waren. Het dak was dicht, de laatste platen waren gehesen en gelegd, dus de hijskraan was daarna niet meer nodig. We zijn aan de achterkant van de woning in de schaduw wat gaan drinken met mijn zoon [getuige 5] , [eisende partij] , [getuige 6] en [getuige 7] . [getuige 6] was er de hele dag en [getuige 7] kwam ’s middags wat drinken. De Poolse mensen gingen hun eigen gang. Zij werkten daar ook, maar deden hun eigen ding. Ik heb een rondje gemaakt en foto’s genomen om te laten zien hoe het huis er inmiddels uitzag. [eisende partij] is toen naar zijn eigen bus gelopen om vrijetijdskleding aan te trekken. Toen ik terug kwam van het rondje lopen zaten alleen [getuige 7] en [getuige 6] er nog. Ik voegde mij daar weer bij en toen viel een emmer water en tuimelde [eisende partij] er achteraan. Zij vielen op een partij pallets die op de grond lagen, zowel de emmer water als [eisende partij] . Het klopt zeker niet dat de heer [eisende partij] op de aanbouw is gevallen. Het was meteen duidelijk dat hij veel pijn had. Ik heb geopperd om een ambulance te bellen, maar dat wilde [eisende partij] niet omdat [eisende partij] achterstanden had bij de zorgverzekeraar en er was geen zichtbaar letsel. Wij hebben hem op onze schouders meegenomen naar de bus en samen met mijn zoon heb ik hem naar het ziekenhuis gereden.” 3.15. Van deze verklaring kon met enige goede wil in eerste instantie misschien nog worden gezegd dat die in een bepaald - zij het beperkt - opzicht enigszins werd ondersteund door de verklaringen van [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 5] (zoon van [gedaagde] ), maar met de stukken die de Officier van Justitie op 10 juli 2024 nog aan de kantonrechter heeft toegestuurd lukt dat in ieder geval niet meer. Uit die nadere stukken van het OM blijkt namelijk dat [getuige 6] en [getuige 7] meineed hebben gepleegd: zij hebben allebei bekend als getuige opzettelijk een valse verklaring te hebben afgelegd tijdens het verhoor bij de kantonrechter in deze rechtbank. Aan de verklaring van [getuige 6] en [getuige 7] komt daardoor geen enkele waarde toe. In principe blijft dan alleen de verklaring van [getuige 5] over ter ondersteuning van de verklaring van [gedaagde] . Die legt (veel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.