Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2024:5632
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2144 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.S. Pot), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: R.M.H. Rokebrand).
Inleiding 1.1.
Eiser heeft voor het laatst als werkvoorbereider gewerkt. Hij is op 28 juni 2018 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Bij de eerstejaars Ziektewet beoordeling op 3 juni 2019 werd hij in staat geacht meer dan 65% te verdienen van zijn maatmanloon. De uitkering op grond van de Ziektewet van eiser werd daarom beëindigd.
1.2.
Vervolgens heeft eiser zich op 22 januari 2020 arbeidsongeschikt gemeld terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. De primaire verzekeringsarts heeft op 14 februari 2022 een functionele mogelijkheden lijst (FML) opgemaakt waarin in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden beperkingen zijn opgenomen. In de rubriek werktijden zijn de beperkingen opgenomen dat eiser gemiddeld 8 uur per dag en 30 uur per week kan werken, en dat hij tot en met 32 uur per week kan werken. Op grond van deze FML heeft de primaire arbeidsdeskundige in het rapport van 21 februari 2022 drie functies geduid en eiser op grond daarvan 70,65% arbeidsongeschikt geacht.
1.3.
In een besluit van 24 februari 2022 heeft het Uwv per 19 januari 2022 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiser toegekend. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In een besluit van 21 december 2022 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML van 14 februari 2022 niet herzien. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 december 2022 echter een aantal van de eerder geduide functies laten vervallen en een aantal nieuwe functies geduid. Op grond daarvan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een arbeidsongeschiktheidspercentage van 58,75% vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep dat eiser tegen het besluit van 21 december 2022 heeft ingesteld, ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep dat eiser tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, bevestigd.
1.4.
In een besluit van 19 januari 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van eiser op 27 april 2023 verandert in een WGA-vervolguitkering. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt, omdat er voorafgaand aan dit besluit geen heronderzoek heeft plaatsgevonden.
1.5.
Op verzoek van de afdeling bezwaar en beroep van het Uwv heeft de primaire verzekeringsarts de zaak opnieuw beoordeeld. In het rapport van 22 februari 2023 heeft de primaire verzekeringsarts gerapporteerd dat er geen medisch inhoudelijke redenen zijn om het vastgestelde belastbaarheidsprofiel te wijzigen. Eiser komt echter in aanmerking voor een gerichte behandeling gedurende enkele dagen/dagdelen in de week. Dit is een reden om eventueel een hogere urenbeperking aan te nemen. Dit zal vastgesteld worden na het ontvangen van informatie van revalidatiearts [revalidatiearts] ( [revalidatiearts] ). De belastbaarheid van eiser is volgens de primaire verzekeringsarts nog niet vast te stellen.
1.6.
In een brief van 6 maart 2023 heeft revalidatiearts [revalidatiearts] vermeld dat de behandeling van eiser uit maximaal vijf uur per week zou bestaan, verdeeld over twee à drie dagen.
1.7.
De primaire verzekeringsarts heeft op 21 april 2013 aanvullend gerapporteerd dat de belastbaarheid niet tot nauwelijks is gewijzigd. Wel is van belang is dat eiser een behandeltraject van vijf uur per week, verdeeld over twee tot drie dagen gaat volgen. Dit zou een verdere urenbeperking met zich meebrengen tot zes uur per dag.
1.8.
Op 23 april 2023 heeft de primaire verzekeringsarts een nieuwe FML opgesteld. In deze FML worden dezelfde beperkingen in rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen aangenomen ten opzichte van de FML van 14 februari 2022. In de rubriek werktijden heeft de verzekeringsarts in de FML van 23 april 2023 geen aanvullende urenbeperking aangenomen.
1.9.
Eiser heeft vervolgens een aanvullend bezwaarschrift en de volgende informatie naar het Uwv gestuurd: een rapportage van arts en medisch adviseur [medisch adviseur] ( [medisch adviseur] ) van 9 augustus 2023; een rapportage van niet praktiserend verpleegkundige en arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] ( [arbeidsdeskundige] ) van 9 augustus 2023; een verslag van psychiatrisch verpleegkundige [psychiatrisch verpleegkundige] ( [psychiatrisch verpleegkundige] ) van Stichting [stichting] van 2023.
1.10.
Op 30 januari 2024 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Daarbij waren eiser, zijn gemachtigde, [arbeidsdeskundige] en [psychiatrisch verpleegkundige] aanwezig.
1.11.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 21 februari 2024 gerapporteerd dat de poliklinische revalidatiebehandeling op 27 februari 2023 is gestart voor twee of drie dagen per week. Uit het verslag van [stichting] is gebleken dat het revalidatietraject niet is gevolgd. Begin 2023 is het revalidatietraject gestaakt, volgens de psychiatrisch verpleegkundige vanwege vermoeidheid en psychosociale problematiek. Er is, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, sprake van een ongewijzigd medisch feitencomplex ten opzichte van 19 januari 2022, de datum einde wachttijd in het kader van de Wet WIA. Een nadere urenbeperking is niet aan de orde. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen objectief medisch inhoudelijke argumenten om de FML te herzien.
1.12.
In een besluit van 11 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Nu de belastbaarheid niet is gewijzigd, worden de in bezwaar geduide functies van 20 december 2022 ongewijzigd geschikt geacht voor eiser.
1.13.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 21 mei 2024 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hier op 28 mei 2024 op gereageerd en daarbij een brief van [arbeidsdeskundige] van 27 mei 2024 meegestuurd.
1.14.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2024. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder heeft eiser [arbeidsdeskundige] en [psychiatrisch verpleegkundige] mee naar de zitting genomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen Beoordelingskader 2. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan drie voorwaarden voldoen. De rapporten: zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen; bevatten geen tegenstrijdigheden; zijn voldoende begrijpelijk.
Het is aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat rapporten niet aan de drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling niet klopt. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is namelijk in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
Zorgvuldigheid Hoorzitting 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Hij voert daartoe aan dat arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] en psychiatrisch verpleegkundige [psychiatrisch verpleegkundige] aanwezig waren op de hoorzitting in bezwaar, maar dat het Uwv geen gebruik heeft gemaakt van hun deskundigheid.
Insinuaties 6. Eiser stelt verder dat de medische beoordeling is gebaseerd op een aantal insinuaties. De opmerking van de primaire verzekeringsarts dat sprake zou zijn van ziektewinst, is een niet gemotiveerde stelling van de verzekeringsarts. Verder vindt eiser het opmerkelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geschreven dat eiser problemen ondervindt met het seksleven. Dit is irrelevant voor de vaststelling van de belastbaarheid van eiser. Ten slotte duidt de opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser een diagnose nodig had om bij het Uwv in te brengen volgens eiser op vooringenomenheid en subjectiviteit bij deze verzekeringsarts.
Opvragen van medische informatie 12. Eiser voert in het beroepschrift aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bij het bemerken van zoveel onduidelijkheden, nadere informatie omtrent het revalidatietraject had moeten opvragen. Er is volgens eiser geen sprake van een volledige heroverweging, omdat niet alle medische feiten zijn meegewogen en er geen vragen zijn gesteld aan de behandelaars over onduidelijke punten. Op de zitting voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te stellig conclusies heeft getrokken op grond van onvolledige informatie.
Medische beoordeling Geen benutbare mogelijkheden 16. Eiser stelt zich op het standpunt dat de medische beoordeling onjuist is, omdat hij volledig arbeidsongeschikt is. Op de zitting voert eiser aan dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM) gelet op zijn onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.
Aanvullende beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren 19. [arbeidsdeskundige] heeft op de zitting aangevoerd dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren in de FML. Volgens [arbeidsdeskundige] gaat het om de items: herinneren in het dagelijks functioneren, inzicht in eigen kunnen in het dagelijks functioneren, doelmatig handeling in het dagelijks functioneren, zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren, emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten en omgaan met conflicten. Dit standpunt wordt voor het eerst op de zitting aangevoerd door [arbeidsdeskundige] , een niet praktiserende verpleegkundige en arbeidsdeskundige. [arbeidsdeskundige] is zelf geen medicus en heeft zijn standpunt niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank ziet hierin onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Urenbeperking 20. Eiser voert verder aan dat er een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen. De poliklinische revalidatiebehandeling is gestart op 27 februari 2023. Eiser was dus al voor de datum in geding gestart met de revalidatietherapie voor twee tot drie dagen per week.
Conclusie 23. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch oordeel onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft consistent en inzichtelijk gemotiveerd waarom de in de FML van 23 april 2023 vastgestelde beperkingen passend zijn voor eiser. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Hoe eiser zelf zijn klachten en belastbaarheid ervaart, is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet doorslaggevend.
Verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige 24. Eiser heeft de rechtbank op de zitting verzocht om een psycholoog of een psychiater als onafhankelijke deskundige te benoemen om onderzoek te laten verrichten.
Arbeidsdeskundige beoordeling 26. Eiser voert ten slotte aan dat er in de primaire fase onterecht geen arbeidsdeskundig onderzoek is verricht. Dit gebrek is in de bezwaarfase niet hersteld. De primaire verzekeringsarts heeft de FML volgens eiser gewijzigd, maar dit heeft niet geleid tot een arbeidsdeskundige onderzoek. Dit had wel moeten gebeuren volgens eiser.
Conclusie en gevolgen 28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr.J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:733.