RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/579986 / KG ZA 24-428 Vonnis in kort geding van 1 oktober 2024 in de zaak van 1 [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] ,2. [eiser 1], te [woonplaats 1] ,3. [eiser 2], te [woonplaats 2] ,4. [eiser 3], te [woonplaats 2] , eisende partijen, hierna te noemen: [eiseres] , [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] advocaat: mr. J. Stokmans, tegen COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., te Utrecht, gedaagde partij, hierna te noemen: Rabobank , advocaat: mr. S.V. Vullings. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: − de dagvaarding met producties 1 t/m 26, − de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10, − de mondelinge behandeling van 1 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, − de pleitnota van [eiseres] , − de pleitnota van Rabobank. 2De kern 2.1. [eiseres] is een onderneming die volgens het handelsregister actief is in de parfum- en cosmetica industrie. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn de aandeelhouders en bestuurders van [eiseres] . [eiseres] had een zakelijke bankrekening bij Rabobank. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hadden ook een bankrekening bij Rabobank. Rabobank heeft klantonderzoek verricht naar de transacties op de bankrekening van [eiseres] en constateerde dat er sprake was van niet-transparant transactieverkeer en onduidelijke handels- en goederenstromen. De informatie die eisers in het kader van dat onderzoek aan Rabobank hebben verstrekt was volgens Rabobank onvoldoende om het klantonderzoek af te kunnen ronden. Bij brief van 13 december 2023 heeft Rabobank de bankrelaties met [eiseres] en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] beëindigd en gemeld dat de persoonsgegevens van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden geregistreerd in het Intern Verwijzingsregister (‘IVR’). De zakelijke bankrekening van [eiseres] is met ingang van 27 december 2023 geblokkeerd. [eiseres] en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Rabobank. Bij brief van 16 februari 2024 heeft Rabobank het bezwaar afgewezen. 2.2. [eiseres] en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] eisen in dit kort geding primair continuering of herstel van de bankrelatie en subsidiair dat Rabobank wordt verplicht om nieuwe overeenkomsten met hen aan te gaan. De rechtbank wijst ten aanzien van [eiseres] de subsidiaire vordering toe en verplicht Rabobank om nieuwe overeenkomsten aan te gaan met [eiseres] . De vorderingen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 3De beoordeling Spoedeisend belang 3.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. [eiseres] heeft een spoedeisend belang 3.2. [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij de vordering. Het staat namelijk voldoende vast dat [eiseres] een afsluiting van het betalingsverkeer riskeert. Hoewel [eiseres] nog een bankrekening heeft bij ABN AMRO, is het onzeker of zij daarvan gebruik kan blijven maken. ABN AMRO heeft de bankrelatie met [eiseres] namelijk ook beëindigd. Weliswaar loopt er nog een bezwaarprocedure tegen die beslissing en heeft [eiseres] gedurende die procedure nog toegang tot de betaalrekening, maar de opzegging heeft al plaatsgevonden. Het is dus onzeker of ABN AMRO haar beslissing zal handhaven en [eiseres] (op korte termijn) zal worden afgesloten van het betalingsverkeer. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben geen spoedeisend belang 3.3. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben geen spoedeisend belang. [eiser 1] heeft nog een bankrekening bij ABN AMRO. [eiser 1] heeft niet gesteld dat die rekening is opgezegd. [eiser 1] kan dus deelnemen aan het betalingsverkeer. Ook [eiser 2] en [eiser 3] hebben niet gesteld dat de opzegging van hun rekening bij Rabobank ertoe heeft geleid dat zij zijn uitgesloten van het betalingsverkeer. [eiser 2] en [eiser 3] beschikken kennelijk nog over een bankrekening bij een andere bank. Dat betekent dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering tot hervatting of hernieuwing van hun bancaire relatie met Rabobank. 3.4. Dat geldt ook voor hun eis dat hun persoonsgegevens uit het Intern Verwijzingsregister (IVR) van de Rabobank worden gehaald. Het gaat namelijk om registraties die alleen door (medewerkers van) Rabobank kunnen worden geraadpleegd. Dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] mogelijke nadelige gevolgen ondervinden als zij opnieuw een betaalrekening willen aanvragen bij Rabobank, is op dit moment onvoldoende om een spoedeisend belang bij de eis tot verwijdering van die registraties aan te nemen. Alleen nog aangaan nieuwe bancaire relatie relevant 3.5. [eiseres] verzoekt primair de bancaire relatie met Rabobank te continueren of te hervatten. Rabobank stelt dat continueren of hervatten niet mogelijk is. De bankrekening is met ingang van 16 maart 2024 namelijk geëindigd en bestaat niet meer. Het is volgens Rabobank technisch en administratief niet mogelijk die bankrekening te heropenen. Dat is door [eiseres] verder niet gemotiveerd betwist zodat in dit kort geding de vraag is of Rabobank verplicht moet worden een nieuwe bancaire relatie aan te gaan met [eiseres] . Juridisch kader voor de beoordeling 3.6. Uitgangspunt is dat op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten (zoals [eiseres] ) de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden (vgl. voor consumenten art. 4:71f Wft). Of een dergelijke verplichting in een concreet geval moet worden aangenomen, hangt af van de uitkomst van een belangenafweging. Bij de belangenafweging moeten de omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij weegt zwaar dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. Anderzijds weegt zwaar dat banken contractsvrijheid hebben. Banken kunnen een gerechtvaardigd belang hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s. Dat belang kan eraan in de weg staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden. Een belangrijke omstandigheid die ook wordt meegewogen is de reden voor de opzegging. De bank had dan immers een relatie met deze cliënt en dus meer verplichtingen om een rekening aan deze (ex)-cliënt aan te bieden dan een bank voor wie de aanvrager van een rekening nog niet eerder bij deze bank een rekening heeft gehad. Bij de beoordeling van de opzegging gaat om de overwegingen en omstandigheden zoals die waren bij de opzegging en niet om na die beoordeling gebleken feiten en omstandigheden (ex tunc). Belang [eiseres] tot deelname aan betalingsverkeer weegt zwaarder 3.7. Het belang van [eiseres] om deel te kunnen blijven nemen aan het betalingsverkeer weegt op dit moment zwaarder dan het belang van Rabobank om [eiseres] als klant te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s. Daarvoor geldt het volgende. Geen toegang tot het betalingsverkeer 3.8. [eiseres] heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de beëindiging van de bancaire relatie door Rabobank tot gevolg heeft dat haar deelname aan het maatschappelijk verkeer gevaar loopt. De andere betaalrekeningen van [eiseres] (bij Ebury en ABN AMRO) zijn namelijk ook beëindigd. Bij brief van 21 juni 2024 heeft Ebury aangekondigd de bankrekening met ingang van 21 juni 2024 te sluiten. Ter zitting is gebleken dat die rekening ook is beëindigd door Ebury. ABN AMRO heeft op 4 januari 2024 de klantrelatie met [eiseres] beëindigd. Weliswaar loopt er nog een bezwaarprocedure tegen de beslissing tot beëindiging bij de ABN AMRO en heeft [eiseres] gedurende die procedure nog toegang tot die rekening, maar het besluit tot beëindiging is al genomen. Het is dus zeer onzeker is of [eiseres] gebruik kan blijven maken van haar betaalrekening. Een aanvraag van [eiseres] voor een rekening bij Bunq is afgewezen. Opzegging bancaire relatie onterecht 3.9. Daar komt bij dat Rabobank niet op grond van artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) verplicht was tot beëindiging van de bancaire relatie met [eiseres] . Rabobank heeft bij de opzegging van de relatie met [eiseres] ten onrechte geconcludeerd dat zij haar klantonderzoek niet positief afronden en dus niet kon voldoen aan de op haar wettelijke verplichting om een klantonderzoek te verrichten (artikel 3 lid 2Wwft). Daarbij geldt het volgende. 3.10. Als een bank een relatie opzegt met een beroep op artikel 5 lid 3 Wwft, en de klant betwist dat de bank voldoende reden heeft om zich daarop te beroepen, ligt het op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat ze een zorgvuldig en individueel onderzoek heeft verricht en onvoldoende informatie heeft gekregen om een klantonderzoek behoorlijk te kunnen afsluiten. Dat is hier niet het geval. Rabobank heeft [eiseres] geen concrete vragen gesteld die [eiseres] niet heeft beantwoord. Op de door [eiseres] gegeven antwoorden heeft Rabobank niet laten weten dat zij deze onvoldoende vond door bijvoorbeeld het stellen van aanvullende of nieuwe vragen. De antwoorden van [eiseres] waren echter niet zodanig dat [eiseres] zelf ook wel had moeten begrijpen dat deze niet afdoende waren. Over een groot deel van de redenen die Rabobank heeft genoemd in de opzeggingsbrief, heeft Rabobank geen concrete vragen gesteld. Het onderzoek van de Rabobank is als volgt gegaan. Rabobank heeft op 5 juni 2023 telefonisch contact opgenomen met [eiseres] . Dat dit gesprek plaatsvond in het kader van een voortdurend klantonderzoek dat al sinds 2019/2020 door Rabobank werd uitgevoerd, is niet gebleken en was in ieder geval niet kenbaar voor [eiseres] . Rabobank heeft [eiseres] tussen mei 2020 en 5 juni 2023 [eiseres] niet benaderd met vragen in het kader van dat klantonderzoek. In het telefonisch contact van 5 juni 2023 zijn slechts twee punten besproken. Dat blijkt uit de e-mail van 5 juni 2023 met het gespreksverslag. Er is gesproken over transacties met het bedrijf [bedrijf 1] en het bedrijf [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] betaalt meestal ronde bedragen en vermeldt bij de transacties geen factuurnummer. Rabobank geeft daarnaast aan dat [bedrijf 2] een groothandel is en verkoopt aan kleinere partijen. Uit het gespreksverslag blijkt niet dat Rabobank de door [eiseres] verstrekte informatie onvoldoende vond. In haar e-mail schrijft Rabobank juist:“Vandaag 5-6-2023 hebben we elkaar telefonisch gesproken inzake enkele transacties met betrekking tot [eiseres] B.V. Ik wil u hartelijk danken voor uw open antwoorden en medewerking.” Rabobank heeft na het telefonisch contact op 5 juni 2023 geen vervolgvragen meer gesteld aan [eiseres] . Bij brief van 6 september 2023 schrijft Rabobank aan [eiseres] dat zij de bancaire relatie met [eiseres] heroverweegt en dat zij het klantonderzoek zal overdragen aan de afdeling Offboarding. Rabobank verwijt [eiseres] dat zij op basis van de antwoorden die zijn gegeven tijdens het telefonisch overleg 5 juni 2023, geen passend en plausibel beeld heeft gekregen van de daadwerkelijke afnemers van [eiseres] . Bij [bedrijf 1] is volgens Rabobank opvallend dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.