RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/243829-20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 12 januari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1991] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 april 2021, 7 juli 2021, 7 december 2023 en 8 december 2023 en 12 januari 2024. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 7 en 8 december 2023 en het onderzoek is (uitsluitend) gesloten op 12 januari 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. B.C. Niks en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting van 7 juli 2021 nader omschreven en op de zitting van 7 december 2023 gewijzigd. De nader omschreven en gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 4 maart 2019 tot en met 19 januari 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven zoals genoemd in de Opiumwet; feit 2: op 4 februari 2020, 7 februari 2020 en 30 april 2020 te Utrecht samen met een of meer anderen een grote hoeveelheid hennep naar Duitsland heeft gebracht; feit 3: in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 16 augustus 2020 te Maastricht en Vianen samen met een of meer anderen 21,78 kilogram hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht; feit 4: op 6 maart 2020 te Nieuwegein samen met een of meer anderen een grote hoeveelheid hennep heeft verkocht; feit 5: op 27 mei 2019 te Eindhoven samen met anderen 352 hennepplanten heeft geteeld; feit 6: op 19 januari 2021 te Nieuwegein samen met een ander 1,89 kilogram henneptoppen en 7,41 gram henneptoppen aanwezig heeft gehad; feit 7: op 27 januari 2016 te Zoetermeer samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. 3VOORVRAGEN 3.1 Geldigheid van de dagvaarding De raadsman heeft aangevoerd dat de onder feit 1 ten laste gelegde verdenking zodanig algemeen en ruim is opgesteld, dat het voor verdachte onduidelijk is waarvan hij precies wordt beschuldigd en hij zich hierdoor niet effectief kan verdedigen tegen de beschuldiging. Er zijn geen handelingen in de tenlastelegging opgenomen en het onderzoek bevat 14 verdachten en een procesdossier met meer dan 7.000 pagina’s. 3.2 Het oordeel van de rechtbank Artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient, voor zover van belang, een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Eén van de functies van de tenlastelegging is dat verdachte geïnformeerd wordt voor welk feit hij vervolgd wordt, zodat hij weet waar hij zich tegen moet verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat onder feit 1 weliswaar meerdere Opiumwetdelicten staan vermeld, maar hieruit volgt niet dat de dagvaarding onvoldoende specifiek of duidelijk is. Onder meer in zaaksdossier 9 wordt uitgelegd wat volgens de officier van justitie onder de criminele organisatie moet worden verstaan. Dit zaaksdossier in samenhang met de rest van het procesdossier en de tenlastelegging maakt voldoende duidelijk waartegen verdachte zich kan verdedigen en de verdediging heeft dit vervolgens ook gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie voldoende specifiek en duidelijk is geformuleerd. De dagvaarding is geldig. 3.3 Overige voorvragen De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 1 tot en met feit 4, feit 6 en feit 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen met dien verstande dat verdachte voor het onder feit 4 ten laste gelegde verhandelen van hennep partieel dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder feit 5 ten laste gelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Er is tussen verdachte en anderen geen sprake van hiërarchische verhoudingen, er worden geen mensen of fondsen geworven en er is geen heldere structuur waarneembaar. Van de 13 zaaksdossiers blijven er maar drie over waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte] allebei verdachte zijn. De onderlinge gesprekken zeggen te weinig om de duurzaamheid van een criminele organisatie te veronderstellen. Als zij al samenwerkten, is er hoogstens sprake van medeplegen. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat er slechts enkele OVC-gesprekken zijn waarin wordt gesproken over geld. Daarnaast heeft verdachte een niet hoogst onwaarschijnlijk alternatief scenario gegeven voor zijn regelmatige ritten naar Duitsland, hetgeen bevestigd wordt door de verklaringen van [getuige] , terwijl er geen bevindingen zijn die duiden op de uitvoer van hennep. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 3 ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat verdachte wetenschap had van de hennep, slechts een busje heeft geregeld en in Nederland is ingestapt. Dit zijn handelingen die duiden op medeplichtigheid, hetgeen niet ten laste is gelegd, maar niet op medeplegen, zodat vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 4 ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat geenszins vast te stellen is welke hoeveelheid hennep verdachte zou hebben verhandeld en dat er slechts één gesprek is tussen verdachte en [A] , hetgeen onvoldoende is voor een bewezenverklaring van de handel in hennep. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 5 ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat de aangetroffen doos met ventilatoren die besteld zou zijn door verdachte onvoldoende is om van een intellectuele of materiële bijdrage te spreken die van voldoende gewicht is om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 6 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 7 ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat het dossier stukken bevat die erop wijzen dat de koopprijs van € 180.000,- marktconform is en dat de prijsdaling ten opzichte van de vraagprijs voorstelbaar is. Daarnaast blijkt niet uit de betalingsbewijzen en leenovereenkomst dat deze bedoeld waren om een feitelijk hogere koopprijs overeen te komen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow), een organisatie die zich specifiek bezig houdt met de handel in hennep. Een organisatie in de zin van dit artikel is een samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon met een zekere duurzaamheid en structuur. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. De samenstelling van het samenwerkingsverband hoeft niet steeds hetzelfde te zijn en niet is vereist dat de verdachte samenwerkte of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Uit de bewijsmiddelen van de bewezen verklaarde feiten volgt dat er zowel bij verdachte als medeverdachte [medeverdachte] sprake is van het medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten. Sommige delicten werden door hen samen gepleegd en sommige los van elkaar of met andere personen. Dat er sprake is van het meermaals medeplegen van bepaalde delicten brengt echter niet zonder meer mee dat er ook sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat daarvan onvoldoende is gebleken en spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde. Vrijspraak feit 5 Uit het procesdossier volgt dat verdachte betrokken is geweest bij meerdere hennepkwekerijen, waaronder de kwekerij aan de [adres] te [woonplaats] zoals ten laste gelegd onder feit 5. De rechtbank is echter met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de door verdachte verrichte handelingen die uit het dossier blijken geen materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht vormen, waardoor er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de ten laste gelegde hennepteelt en verdachte van het onder feit 5 ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Bewijsoverweging feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte] op de ten laste gelegde data naar Duitsland is gereden en daar geld heeft opgehaald. De verdediging betwist dat verdachte grote hoeveelheden hennep heeft uitgevoerd en in Duitsland heeft verkocht, waardoor hij met grote geldbedragen terug naar Nederland reed. Verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, kort gezegd inhoudende dat hij voor bordeelbezoek en het ophalen van geld van klanten van zijn nachtclub regelmatig naar Duitsland reed. Verdachte heeft dit niet onderbouwd en er zijn geen aanknopingspunten voor dat scenario in het dossier aanwezig. Daar tegenover staan de bevindingen uit het dossier waaruit blijkt dat verdachte met de medeverdachte onder andere spreekt over gruis, zakken, zeven, grammen, drugsgeld en plakken. Daarnaast wordt over bedragen gesproken die naar het oordeel van de rechtbank in Duitsland marktconform zijn voor een kilo hennep en stuurde verdachte twee weken na 30 april 2020 een lijst naar de medeverdachte waarop onder andere kush en haze (hennepsoorten) vermeld stonden. Ten slotte blijkt de betrokkenheid van verdachte bij hennephandel uit de overige bewezenverklaarde feiten. De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij ten aanzien van de ten laste gelegde “grote hoeveelheden”, nu niet bewezen kan worden welke hoeveelheden hennep verdachte op de bewezen verklaarde data heeft uitgevoerd. Bewijsoverweging feit 3 Op basis van de voornoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 16 augustus 2020 21,78 kilogram hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Anders dan aangevoerd door de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte als medepleger dient te worden gekwalificeerd. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte – naast zijn wetenschap van het plan om hennep in te voeren – een vervalste factuur heeft aangemaakt om daarmee bij een eventuele controle de autoriteiten te misleiden, de bus heeft geregeld waarmee de hennep vervoerd zou worden, meereed in de bus vanuit Spanje en een deel van de opbrengst zou ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van een zodanige materiële en intellectuele bijdrage door verdachte aan het delict, dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en medeverdachte [C] en het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen is. Bewijsoverweging feit 7 Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode december 2015 – januari 2016 met de eigenaren van [onderneming 1] te [vestigingsplaats] onderhandelde over de koop van deze club. Gebleken is – hetgeen verdachte ook niet betwist – dat de oorspronkelijke vraagprijs rond de € 350.000,- lag en dat verdachte een lagere prijs wilde betalen. Uit de WhatsAppberichten volgt dat na onderhandelingen in de nacht van 10 op 11 januari 2016 een akkoord is bereikt. In de koopovereenkomst van 27 januari 2016 wordt een koopprijs van € 200.000,- genoemd, een significant lager bedrag, dat volgens de makelaar en verdachte uiteindelijk nog eens verlaagd werd naar € 180.000,-. De gesprekken tussen verdachte en anderen van daarvoor duiden erop dat de koopprijs rond de € 320.000,- zou moeten bedragen en dat verdachte het idee bespreekt om delen van de koopsom contant, onder de tafel, of via “handjeklap” te betalen. Daarnaast zijn bij verdachte betalingsbewijzen aangetroffen die erop wijzen dat hij twee van de verkopers bedragen van in totaal € 60.000,- heeft betaald en is ook een geldleningsovereenkomst aangetroffen die erop wijst dat verdachte op 17 januari 2016 (10 dagen voor het sluiten van de koopovereenkomst) € 60.000,- heeft geleend van een van de verkopers. Voorts heeft een van de verkopers naar verdachte een foto gestuurd van een verscheurd betalingsbewijs, waaruit ook afgeleid kan worden dat verdachte de verkoper € 20.000,- heeft betaald. Verdachte heeft verklaard niets te weten van de genoemde betalingsbewijzen en leenovereenkomst. Ook zegt hij niet meer te weten of hij deze documenten heeft ondertekend en verklaart hij dat het verschil tussen de vraagprijs en de uiteindelijk betaalde koopsom van € 180.000,- te verklaren is door de sluiting van [onderneming 1] in de tussentijd en andere omstandigheden die de prijs hebben doen dalen. De rechtbank vindt deze verklaring niet geloofwaardig. Verdachte heeft zijn verklaring niet onderbouwd en de rechtbank acht het ongeloofwaardig dat hij meerdere betalingsbewijzen en een leenovereenkomst voor bedragen van deze grootte zou ondertekenen, zonder dat hij van plan zou zijn deze te betalen. Een prijsverlaging van € 120.000,- gedurende het korte tijdsverloop tussen het akkoord op 10/11 januari 2016 en het tekenen van de koopovereenkomst op 27 januari 2016 wordt ook niet verklaard. De gesprekken die hij heeft gevoerd wijzen er juist op dat hij een deel van de koopsom, wat bij elkaar opgeteld het verschil tussen € 180.000,- en € 320.000,- kan vormen, heeft voldaan buiten de verplichtingen die volgen uit de schriftelijke koopovereenkomst. De mogelijkheid dat € 180.000,- of € 200.000,- een marktconforme prijs zou zijn voor [onderneming 1] , doet daar niet aan af. Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valsheid in geschrifte heeft gepleegd door samen met anderen een overeenkomst voor de koop van [onderneming 1] voor € 200.000,- op te maken, terwijl de werkelijke koopprijs meer dan € 300.000,- bedroeg, althans een hoger bedrag dan dat in de koopovereenkomst vermeld stond. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 2: op 4 februari 2020 en 7 februari 2020 en 30 april 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland - te weten naar Duitsland - heeft gebracht, een hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten hennep, telkens zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II; feit 3: in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 16 augustus 2020 te Maastricht en Vianen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 21,78 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II; feit 4: op 6 maart 2020 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, (telkens) zijnde hasjiesj en/of hennep, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; feit 6: op 19 januari 2021 te Nieuwegein, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1,89 kilogram henneptoppen en - 7,41 gram henneptoppen, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; feit 7: op of omstreeks 27 januari 2016 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt, door in een koopovereenkomst d.d. 27 januari 2016 (map 9, pag 3364 e.v.) met betrekking tot de koop van “ [onderneming 1] ” te [vestigingsplaats] een koopprijs van 200.000,- euro te vermelden terwijl de werkelijke koopprijs van de “ [onderneming 1] ” 300.000,- euro bedroeg, althans een hoger bedrag dan de 200.000 die in de koopovereenkomst werd vermeld, met het oogmerk om deze koopovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel; feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; feit 6: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 7: medeplegen van valsheid in geschrift. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een blanco documentatie heeft, de zorg voor zijn zoon deelt en sinds zijn schorsing een sterke gedragsverandering heeft doorgemaakt. Om die redenen verzoekt de raadsman om verdachte hoogstens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, zo nodig in combinatie met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf. Uit onderzoek blijkt dat korte gevangenisstraffen een grotere kans op recidive meebrengen. Daarnaast loopt verdachte al bijna 29 maanden in een schorsingskader. Indien hij weer vast zou komen te zitten zou al zijn vooruitgang teniet worden gedaan. Ten slotte verzoekt de raadsman rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling en overschrijding van de redelijke termijn. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer een jaar schuldig gemaakt aan meerdere Opiumwetdelicten, meer specifiek de in- en uitvoer en het bezit van kilo’s hennep en het eenmalig verhandelen ervan. De productie van en (internationale) handel in hennep gaat gepaard met andere vormen van ernstige criminaliteit, omdat er vaak grote financiële belangen mee gemoeid zijn en dit brengt de maatschappij dan ook grote schade toe. Vaak is er bij dit soort feiten sprake van brandgevaar bij kwekerijen, afpersingen, geweldsdelicten en witwassen. De bevindingen met betrekking tot verdachte getuigen van een fulltime betrokkenheid bij deze activiteiten en daarmee een weloverwogen keuze voor criminaliteit en het verkrijgen van illegale inkomsten, ondanks de schadelijke effecten voor de samenleving. Het dossier geeft zelfs een beeld van betrokkenheid van verdachte bij meer strafbare feiten dan de feiten die bewezen worden verklaard. Zo zijn er aanwijzingen dat verdachte betrokken was bij meerdere hennepkwekerijen door het land. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door samen met anderen een lagere koopsom te vermelden op de koopovereenkomst van een nachtclub, dan daadwerkelijk betaald werd. Hiermee kon een aanzienlijk bedrag aan belasting ontdoken worden. Persoon van verdachte Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 oktober 2023, blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee. De rechtbank heeft kennisgenomen van een advies van Reclassering Nederland van 4 december 2023, opgemaakt door W. Kieft, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat verdachte een gedragsverandering heeft ondergaan. Hij zegt geen waarde meer te hechten aan geld en status en haalt voldoening uit zijn nieuwe werk als zorgbegeleider. Ook de opvoeding van zijn zoon vormt een belangrijke motivatie voor hem. Hij wil betalingsregelingen treffen om zijn schulden af te betalen, er lijkt geen sprake meer te zijn van een negatief sociaal netwerk en hij heeft tijdens de schorsing een behandeling gevolgd bij Fivoor. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Straf De verdediging heeft de rechtbank uitdrukkelijk verzocht geen hogere gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest (van bijna 6 maanden) op te leggen. De rechtbank is zich bewust van de gevolgen voor verdachte bij de oplegging van een langere gevangenisstraf en houdt sterk rekening met de gedragsverandering die verdachte in de afgelopen tijd heeft doorgemaakt. Desalniettemin brengen de ernst en grootschaligheid van de feiten, zoals hiervoor omschreven, in combinatie met andere strafdoelen van het strafrecht (onder andere generale preventie) mee dat aan verdachte geen andere straf kan worden opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het reeds ondergane voorarrest overstijgt. De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend. De rechtbank houdt ten slotte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In strafzaken heeft als uitgangspunt te gelden dat binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn vonnis gewezen dient te zijn. De redelijke termijn in deze zaak is op 19 januari 2021 aangevangen en op 12 januari 2024 is het vonnis gewezen. Dat betekent dat de redelijke termijn met (bijna) een jaar is overschreden. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 9VOORLOPIGE HECHTENIS 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis op te heffen. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte al lang in een schorsing loopt en er geen redelijk doel is om hem op dit moment weer vast te zetten. Mocht hij na een veroordeling nog geschorst zijn en geen hoger beroep instellen, dan geeft hem dat tijd om zaken te regelen, onder andere met betrekking tot de zorg over zijn zoon. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 EVRM volgt dat verdachte het recht heeft om zijn proces in vrijheid af te wachten zolang hij niet veroordeeld is door een rechter. De voorlopige hechtenis is per 13 juli 2021 geschorst, waarbij onder meer werd overwogen dat de zorg voor zijn kind een concreet persoonlijk belang vormde. Bij het wijzen van dit veroordelend vonnis zijn de persoonlijke belangen van verdachte zwaarder geworden ten opzichte van het moment van schorsing. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen de reclassering over verdachte heeft gerapporteerd. De rechtbank constateert daarnaast dat verdachte al een aanzienlijke tijd voorlopig gehecht is geweest en dat het strafrestant bij opheffing van de schorsing – indien hoger beroep wordt ingesteld – voor een groot deel in het voorlopige hechtenis regime zal worden doorgebracht. Doordat een groot deel van de ten laste gelegde feiten nu bewezen is verklaard, is er een maatschappelijk belang dat de gevangenisstraf ook daadwerkelijk wordt uitgezeten. Dat belang weegt op dit moment echter niet zo zwaar als het toegenomen belang van verdachte bij zijn vrijheid, zolang niet onherroepelijk over de zaak is geoordeeld. De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. 10BESLAG Verbeurdverklaring De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten: - 1 STK Telefoontoestel (G2679444); - 1 STK Telefoontoestel (G2681897); - 1 STK Geldtelmachine (G639831); - 1 STK Telefoontoestel (G639843); - 1 STK Telefoontoestel (G639844); - 1 STK Telefoontoestel (G639865); - 1 STK Computer (G639873), verbeurd verklaren. Met behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten begaan. Onttrekking aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten - 2 STK Hennep (G2769739); - 6 STK Hennep (G2769743); - 1 STK Hennep (G2769741); - 9 STK Hennep (G2769713); - 1 STK Hashish (G639796), onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten begaan. Teruggave aan verdachte De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten: - 1 STK Personenauto (G640068); - 3 STK Certificaat (G639839); - 1 STK Horloge (G646460); - 1 STK Sjaal (G639851). Gelet op het feit dat er thans nog conservatoir beslag rust op voornoemde voorwerpen, zal deze beslissing niet inhouden dat de goederen al feitelijk worden teruggeven aan verdachte. - 1 STK Kentekenbewijs (G639838); - 1 STK Dell PC kast (G639845); - 1 STK Bon Diamonds (G639846); - 1 STK Administratie [bedrijf] B.V. (G639860); - 1 STK Administratie (G639861); - 1 STK Administratie (G639862); - 1 STK USB-stick (G639863); - 1 STK Telefoontoestel (G639796); - 1 STK Inkomsten en urenlijsten (G639807); - 1 STK Administratie (G639808); - 1 STK Administratie (G639809); - 1 STK Notitieblok (G639813); - 1 STK loonstroken en prijslijst softdrugs (G639814); - 1 DS Met losse administratie (G542550); - 1 doos administratie, 4 blauwe ordners en tasje zara home (G642551). Gelet op het feit dat de 6 laatstgenoemde goederen reeds zijn overgedragen aan de Belastingdienst, zal deze beslissing niet inhouden dat deze goederen al feitelijk worden teruggeven aan verdachte. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Geldigheid dagvaarding - verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde geldig; Vrijspraak - verklaart het onder feit 1 en feit 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 22 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Voorlopige hechtenis - wijst af de vordering tot opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: 1 STK Telefoontoestel (G2679444); 1 STK Telefoontoestel (G2681897); 1 STK Geldtelmachine (G639831); 1 STK Telefoontoestel (G639843); 1 STK Telefoontoestel (G639844); 1 STK Telefoontoestel (G639865); 1 STK Computer (G639873); - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 2 STK Hennep (G2769739); 6 STK Hennep (G2769743); 1 STK Hennep (G2769741); 9 STK Hennep (G2769713); 1 STK Hashish (G639796); - gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen: 1 STK Personenauto (G640068); 3 STK Certificaat (G639839); 1 STK Horloge (G646460); 1 STK Sjaal (G639851); 1 STK Kentekenbewijs (G639838); 1 STK Dell PC kast (G639845); 1 STK Bon Diamonds (G639846); 1 STK Administratie [bedrijf] B.V. (G639860); 1 STK Administratie (G639861); 1 STK Administratie (G639862); 1 STK USB-stick (G639863); 1 STK Telefoontoestel (G639796); 1 STK Inkomsten en urenlijsten (G639807); 1 STK Administratie (G639808); 1 STK Administratie (G639809); 1 STK Notitieblok (G639813); 1 STK loonstroken en prijslijst softdrugs (G639814); 1 DS Met losse administratie (G542550); 1 doos administratie, 4 blauwe ordners en tasje zara home (G642551). Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 januari 2024. Bijlage I: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 4 maart 2019 tot en met 19 januari 2021 in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) de verdachte, [medeverdachte] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of 11a Opiumwet; (Artikel 11b Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond A Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet) (Zaaksdossier 9) 2. hij op of omstreeks 4 februari 2020 en/of 7 februari 2020 en/of 30 april 2020 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland - te weten naar Duitsland - heeft gebracht, een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten hennep, (telkens) zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II; (Art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 4 Opiumwet, art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond A Opiumwet) (Zaaksdossier 5) 3. hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2020 tot en met 16 augustus 2020 te Maastricht en/of Vianen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten ongeveer 21,78 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 4 Opiumwet, art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond A Opiumwet) (Zaaksdossier 5) 4. hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, (telkens) zijnde hasjiesj en/of hennep, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; (Artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 2 Opiumwet, art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet) (Zaaksdossier 4) 5. hij op 27 mei 2019 in [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres] een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van (in totaal) 352 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (Artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 2 Opiumwet, art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet) (Zaaksdossier 1) 6. hij op 19 januari 2021 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1,89 kilogram henneptoppen en/of - 7,41 gram henneptoppen, althans een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 2 Opiumwet, art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet) (Zaaksdossier 6) 7. hij op of omstreeks 27 januari 2016 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst en/of valselijk heeft/hebben doen opmaken en/of heeft/hebben doen vervalsen, door in een koopovereenkomst d.d. 27 januari 2016 (map 9, pag 3364 e.v.) met betrekking tot de koop van “ [onderneming 1] ” te [vestigingsplaats] een koopprijs van 200.000,- euro te vermelden terwijl de werkelijke koopprijs van de “ [onderneming 1] ” 300.000,- euro bedroeg, althans een hoger bedrag dan de 200.000 die in de koopovereenkomst werd vermeld, met het oogmerk om deze koopovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht (Zaaksdossier 11) Bijlage II: bewijsmiddelen Feit 2 In een proces-verbaal van bevindingen staat onder meer het volgende: Dinsdag 4 februari 2020 14.22 uur, Aankomst woonwijk Dortmund Bakengegevens Uit de bakengegevens is gebleken dat het voertuig van [verdachte] ( [kenteken] ) omstreeks 14:22 uur een woonwijk in Dortmund in reed. OVC Op dinsdag 4 februari omstreeks 14.29 uur hoorde ik op de opname vertrouwelijke communicatie dat [verdachte] (SH) en [medeverdachte] (SH) terug kwamen bij de auto. Ik hoorde dat ze in de auto stapten en het volgende zeiden: “ [verdachte] : Hebben ze gruis? he? Ff kijken [medeverdachte] : Gruis [verdachte] : Niet allemaal toch? [medeverdachte] : Hebben ze allemaal gruis (muziek gaat aan) sowieso drie zakken [verdachte] : En jij had 20 gram extra in gedaan, weet je nog [medeverdachte] : 20 gram? [verdachte] : Iets voor gruis, je weet toch als er een beetje gruis in zit, dan zit er wat extra in. Weet je dat nog [verdachte] : We hebben geen extra gruis in (ntv) [medeverdachte] : Nee maar dat was... [verdachte] : Hoeveel hebben we gezeefd? [medeverdachte] : Andere hebben we gezeefd, mischien 1 of 2 zakken niet, hebben we niet gezeefd, (ntv) twee zakken. Sowieso vier zakken hebben we gezeefd. Hier links [verdachte] en [medeverdachte] stappen uit [verdachte] : Raar verhaal, we hebben 4 zakken gezeefd, hoe kom je aan 400 gram?” [medeverdachte] : Alles zit ingepakt [verdachte] : Wat? [medeverdachte] : (ntv) [verdachte] : Moet open, (ntv) dit he, als je zo wordt aangehouden met dit geld zo he? [medeverdachte] : Kunnen ze ook niks, het is al mijn geld, voor veiligheid he? [verdachte] : Dan weten ze het is drugsgeld, direct he [medeverdachte] : Ze moeten het ook bewijzen, he [verdachte] : Wie gaat voorop rijden jij? oh, nee anderom jij rijdt met meer geld [medeverdachte] : Rij ik met meer geld? [medeverdachte] : Hoeveel geld heb je bij je, gewoon op zak? [verdachte] : 30 euro, geef mij weer die kut geld [medeverdachte] : Dit is duizend, tien duizend [verdachte] : Ja, oke dan gaan we maar [medeverdachte] : ( [medeverdachte] is aan het tellen) en zegt: dan heb ik 15 [medeverdachte] : (ntv) proberen deze goedkoop, wel goedkoop weg gedaan voor hem (slecht te verstaan, 49) [verdachte] : Ja, man dat is heel goedkoop [medeverdachte] : Hum? [verdachte] : Dat is heel goedkoop, we hebben op zich wel een mooi prijsje gekregen bij hoe heet het, bij euh.. [medeverdachte] : Bij die andere [verdachte] : Ja, snel werken is goed, helemaal niet erg, proberen. Anders gaat het heel simpel de volgende keer (ntv) laag de prijs ja toch? In een proces-verbaal van bevindingen staat onder meer het volgende: Tenzij anders vermeld gaat het in dit proces-verbaal over 7 februari 2020. bakengegevens van voertuig Mercedes Benz A250 voorzien van kenteken [kenteken] (hierna: A250), dit voertuig is van [verdachte] ; Om 07:18 uur gaf het baken aan dat het voertuig A250 stil stond (<2 km per uur) ter hoogte van de kruising Theodor-Bracker-Strasse en Am Westheck te Dortmund Duitsland. Om 07:18 uur is het volgende te horen in het voertuig A250 [medeverdachte] zegt: "Kom naar de plek, waar we altijd parkeren in die straat....ja, ik kom daar heen, ja, ga je gang, ik kom daar heen, afgesproken". [medeverdachte] zegt: "Ik wacht daar op je?". [verdachte] vraagt hem of hij daar is. [medeverdachte] zegt, ja. [verdachte] zegt, 1 minuut is die er, hij is al weg. [medeverdachte] zegt, is die al weg? [medeverdachte] zegt, ik denk het wel. In een proces-verbaal van bevindingen staat onder meer het volgende: OVC Datum 07-02-2020 7:08:00 07:09: uur gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] Begroeting ( ..... ) [verdachte] : Gelukt? [medeverdachte] : Twee tassen toch? [verdachte] : Twee tassen. In die zwarte zit 4.6 en in die andere zit 6. Heeft hij je geld gegeven? [medeverdachte] : Nee, hij komt er nu aan [verdachte] : Zelf? [medeverdachte] : Ja, Ff hier wat drinken uitpakken [verdachte] : Ja, ik parkeer hem even iets naar voren, (ntv). In een tapgesprek met sessienummer 24572 staat onder meer het volgende: Datum: 30-04-2020 [medeverdachte] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.