← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:586

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere zaaknummer: 10760758 MC EXPL 23-6294 Verstekvonnis d.d. 7 februari 2024 inzake [eiseres] , h.o.d.n. [handelsnaam] wonende te [woonplaats 1] gemachtigde mr. S.D.M. op 't Hoog-Piet, advocaat eisende partij, tegen [gedaagde] wonende [adres] [postcode] [woonplaats 2] gedaagde partij, niet verschenen. 1De procedure 1.

  1. De eisende partij heeft gevorderd dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en met een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. 1.
  2. De gedaagde partij heeft niet (op tijd) op gereageerd en heeft ook niet gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. Daarom is verstek verleend tegen de gedaagde partij. 1.
  3. Daarop volgt nu dit vonnis. 2De feiten 2.
  4. De eisende partij werkt als gastouder. Zij heeft, na bemiddeling door een gastouderbureau, overeenstemming bereikt met de gedaagde partij over de opvang van de twee kinderen van de gedaagde partij. Zij hebben in verband daarmee een overeenkomst met elkaar gesloten, op grond waarvan de eisende partij, kort gezegd, met ingang van 1 mei 2023 als gastouder 230 uur per kind per maand opvang zou bieden, waarvoor de gedaagde partij op haar beurt in totaal € 3.220,00 per maand zou betalen. 2.
  5. Op 23 mei 2023 heeft de gedaagde partij de opvang vanwege veranderde persoonlijke omstandigheden met onmiddellijke ingang beëindigd. De eisende partij heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de gedaagde partij vanwege de in de overeenkomst bedongen opzegtermijn eigenlijk verplicht was om de overeengekomen vergoeding tot en met 30 juni 2023 te betalen (en gedurende deze periode ook onverminderd recht had op opvang). In de praktijk nam de eisende partij echter genoegen met betaling van een lager bedrag, corresponderend met vergoeding van de uren tot en met 23 juni
  6. 2.
  7. De gedaagde partij heeft haar kinderen niet meer naar de opvang gebracht en niets betaald. 2.
  8. De eisende partij vordert nu kort gezegd dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om € 5.688,47 aan haar te betalen, overeenkomend met de afgesproken urenvergoeding over de periode 1 mei 2023 tot en met 23 juni 2023, vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. 3De beoordeling 3.
  9. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tot het verlenen van kinderopvang door de eisende partij (een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf) aan de kinderen van de gedaagde partij (een consument). Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als de kantonrechter constateert dat die belangrijke consumentenbeschermende bepalingen zijn geschonden moet hij daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. 3.
  10. De kantonrechter moet met name ambtshalve toetsen of (en zo ja, welke) informatieplichten van toepassing zijn en of de toepasselijke essentiële informatieplichten zijn nageleefd, zie afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW (artikel 6:230g en verder BW). Ook moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of in de overeenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden geen bepalingen (‘bedingen’) zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten, als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. 3.
  11. In het kader van die laatstgenoemde verplichting moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of bedingen, die niet de kern van de gemaakte afspraken betreffen, en waaraan de gedaagde partij contractueel is gebonden zonder dat partijen daarover afzonderlijk hebben onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de gedaagde partij aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden. Consumenten moeten er namelijk op kunnen vertrouwen dat ‘kleine lettertjes’ niet onredelijk bezwarend voor hen uitpakken en dat ze worden beschermd als ze hun handtekening hebben gezet onder een overeenkomst waarin toch onredelijk bezwarende bedingen blijken te zijn opgenomen. Ook in geval van onduidelijke en onbegrijpelijke bedingen moet de kantonrechter ambtshalve ingrijpen. Daarvan is sprake als een consument die de ‘kleine lettertjes’ daadwerkelijk leest, nog steeds niet weet waar hij aan toe is. 3.
  12. In dit geval gaat het met name om de bedongen opzegtermijn. In verband daarmee is relevant dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, heeft geoordeeld dat een kinderopvangovereenkomst moet worden beschouwd als een overeenkomst van opdracht, die op elk moment door de consument kan worden opgezegd. Naar het oordeel van de Hoge Raad is het toegestaan om in zo’n overeenkomst een opzegtermijn te hanteren, maar die mag in beginsel niet langer zijn dan een maand. Een contractueel beding met daarin een opzegtermijn van maximaal een maand is naar het oordeel van de Hoge Raad niet onredelijk bezwarend, omdat de opvangorganisatie zich immers beschikbaar heeft gehouden om de overeengekomen opvang te verlenen, daarvoor kosten heeft gemaakt en de vrijgehouden opvangplek in de regel niet onmiddellijk door een ander kind kan worden ingevuld, waardoor een opzegging dus niet (onmiddellijk) meebrengt dat de kinderopvangorganisatie minder kosten maakt. Daar staat tegenover dat de consument tijdens de opzegtermijn recht houdt op opvang. Een afweging van de rechten en plichten van partijen leidt in dat geval dus niet tot een aanzienlijke verstoring in het nadeel van de consument (ook als hij tijdens de opzegtermijn geen gebruik maakt van de opvang), waardoor het betreffende beding niet onredelijk bezwarend is. De Hoge Raad heeft hier echter expliciet aan toegevoegd dat het niet is toegestaan om te bedingen tegen welke dag moet worden opgezegd, zoals per de eerste van de maand. Omdat de overeenkomst op elk moment kan worden opgezegd zou een toegestane opzegtermijn van een maand daardoor immers feitelijk worden verlengd tot langer dan een maand, en in dat geval zou een bedongen opzegtermijn wel onredelijk bezwarend worden voor een consument. 3.
  13. De partijen in de nu voorliggende procedure hebben overeenstemming bereikt over de toepasselijkheid van verschillende schriftelijke documenten. Zij hebben een standaardovereenkomst tussen vraagouder en gastouder ondertekend (hierna: opvangovereenkomst), waarin in artikel 14 een opzegtermijn van één maand is opgenomen, waaraan is toegevoegd dat opzegging moet gebeuren voor de eerste van de maand. Daarnaast hebben partijen overeenstemming bereikt over de toepasselijkheid van een (door het bemiddelingsbureau gehanteerd) gastoudercontract (hierna: contract). In artikel 5 lid 2 van dit contract staat dat beide partijen het contract op kunnen zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, zonder enige toevoeging. Partijen zijn verder nog huisregels overeengekomen, maar daarin is geen bepaling opgenomen over een opzegtermijn. 3.
  14. Gelet op wat de Hoge Raad in het genoemde arrest heeft geoordeeld moet worden geconcludeerd dat de opzegtermijn in artikel 5 lid 2 van het contract niet onredelijk bezwarend is voor de gedaagde partij, maar de opzegtermijn in artikel 14 van de opvangovereenkomst wel, omdat daarin expliciet is opgenomen dat opzegging moet gebeuren voor de eerste van de maand. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de eisende partij in de gelegenheid te stellen om zich hier nog over uit te laten, omdat die uitlating hoe dan ook niet tot een ander oordeel kan leiden. 3.
  15. Aldus zijn partijen zowel een niet onredelijk bezwarende als een wél onredelijk bezwarende opzegtermijn overeengekomen. Een contractuele rangorderegeling waarin is vastgelegd welke regeling in geval van tegenstrijdigheden voorgaat, ontbreekt. Daardoor kan een consument zoals de gedaagde partij feitelijk niet weten waar hij contractueel aan kan worden gehouden. Dat is verwarrend en dat maakt dat de bedingen, in hun onderlinge samenhang bezien, allebei onredelijk bezwarend moeten worden geacht voor consumenten. 3.
  16. Onredelijk bezwarende bedingen moeten op grond van artikel 6:233 onder a BW worden vernietigd. Ze kunnen dan geen grondslag meer bieden voor de vordering. Als gevolg daarvan moet de vordering van de eisende partij worden afgewezen. 3.
  17. Voor de volledigheid voegt de kantonrechter hier nog aan toe dat de eisende partij in en buiten rechte aanspraak heeft gemaakt op een lager bedrag dan het bedrag waarop zij contractueel aanspraak had kunnen maken. Daarmee heeft zij zich feitelijk beperkt tot de door de Hoge Raad niet onredelijk bezwarend geoordeelde opzegtermijn van één maand. Dat maakt het oordeel echter niet anders. De kantonrechter moet namelijk de bedongen afspraken beoordelen, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen. Daarin heeft de eisende partij zichzelf nu eenmaal contractueel de mogelijkheid voorbehouden om desgewenst, in of buiten rechte, aanspraak te maken op de contractueel bedongen (onredelijk bezwarend bevonden) vergoeding. Daar moet de kantonrechter consequenties aan verbinden, ongeacht of de eisende partij in de praktijk al dan niet aanspraak maakt op de bedongen (onredelijk bezwarend bevonden) vergoeding. Ook een op zichzelf niet onredelijk bezwarende subsidiaire vordering kan om deze reden niet worden toegewezen. Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971). 3.
  18. De eisende partij wordt in het ongelijk gesteld. Zij wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gedaagde partij worden begroot op nihil. 4De beslissing De kantonrechter 4.
  19. wijst de vordering af; 4.
  20. veroordeelt de eisende partij in de proceskosten, tot de datum van dit vonnis aan de zijde van de gedaagde partij begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 februari
  21. Afschrift afgegeven aan de gemachtigde van de eisende partij d.d. 7 februari 2024 De eisende partij heeft in de dagvaarding, onder verwijzing naar artikel 6:230h lid 2 onder c BW, gesteld dat voor kinderopvangovereenkomsten geen wettelijke bedenktermijn zou gelden. Dat is te kort door de bocht. Algemeen wordt namelijk aangenomen dat de uitzondering van artikel 6:230h lid 2 onder c BW alleen ziet op gevallen waarin objectief noodzakelijk is dat hulp wordt ingeroepen, en niet voor een geval zoals hier aan de orde, waarin de gedaagde partij op zichzelf prima voor haar kinderen kan zorgen, maar ervoor kiest om (niet objectief noodzakelijke) hulp in te schakelen als zij zelf aan het werk is. Zie ook HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, waarin de Hoge Raad impliciet tot uitgangspunt neemt dat de informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW op een overeenkomst tot het verlenen van kinderopvang van toepassing zijn, door zijn verwijzing naar artikel 6:230o BW. Welke informatieplichten gelden is afhankelijk van de wijze van totstandkoming van de overeenkomst. Bij overeenkomsten waarop de informatieplichten van artikel 6:230m BW van toepassing zijn geldt, anders dan de eisende partij meent, wel degelijk een wettelijke bedenktermijn, zie artikel 6:230m lid 1 onder h BW. Alleen bij overeenkomsten waarop de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing zijn, geldt géén wettelijke bedenktermijn. In deze procedure heeft de eisende partij zich niet uitgelaten over de manier waarop de overeenkomst met de gedaagde partij tot stand is gekomen. Dat kan in dit geval in het midden blijven, omdat de vordering hoe dan ook moet worden afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198 overwogen dat een opzegtermijn van langer dan één maand in bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een nader standpunt over de mogelijkheid van dergelijke bijzondere omstandigheden in deze zaak. Dergelijke omstandigheden zullen zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen, en als daar ook in deze zaak sprake van zou zijn geweest, had het op de weg van de eisende partij gelegen om daar reeds bij dagvaarding melding van te maken. Dat geldt temeer daar de eisende partij in haar dagvaarding zelf heeft verwezen naar het betreffende arrest en dus bekend moet worden geacht met de inhoud ervan. Ook de Hoge Raad heeft in dit verband in zijn arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, met zoveel woorden overwogen dat de rechter niet bevoegd is om een overeenkomst, waarin een oneerlijk beding buiten toepassing is gelaten, aan te vullen, door een bepaling van nationaal recht in de plaats te stellen van het oneerlijke beding.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.