RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11150823 \ UC EXPL 24-3986 Vonnis van 9 oktober 2024 in de zaak van [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. P.J.P. van Aarssen, werkzaam bij Incassobureau Plaggemars, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , vertegenwoordigd door haar directeur-grootaandeelhouder de heer [DGA] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 4 juni 2024, met producties; het proces-verbaal van de civiele rolzitting (met daarin het mondelinge antwoord); de conclusie van repliek met vermindering van eis, met producties. 1.
- [gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet voor dupliek geconcludeerd. 1.
- Daarna is bepaald dat er een vandaag een vonnis zal worden uitgesproken. 2De kern van de zaak [eiseres] heeft op 4 december 2023 aan [gedaagde] vier facturen verzonden vanwege verrichte werkzaamheden op het adres [adres] te [plaats] . [gedaagde] heeft drie van de vier facturen niet betaald, zodat nog een bedrag van € 6.546,10 openstaat. [eiseres] vordert betaling van dit bedrag. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] dit bedrag moet betalen, omdat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor het verrichten van de werkzaamheden. De vordering van [eiseres] zal daarom worden toegewezen. 3De beoordeling [gedaagde] erkent haar betalingsverplichting voor de factuur van € 302,50 3.
- Tussen partijen staat vast dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht aan het adres [adres] te [plaats] , waarvan [gedaagde] de eigenaar is. Ook staat tussen partijen vast dat voor de werkzaamheden vier facturen aan [gedaagde] zijn verzonden. De factuur voor een bedrag van € 3.388,00 heeft [gedaagde] (na het uitbrengen van de dagvaarding) op 28 juni 2024 betaald. De resterende facturen zien op betaling van € 4.791,60, € 1.452,00 en € 302,50 (totaal € 6.545,10). [gedaagde] heeft erkend dat zij de factuur van € 302,50 moet betalen, maar heeft dat nog niet gedaan. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van deze factuur. [gedaagde] is voor de resterende facturen de contractspartij en moet ook deze facturen betalen 3.
- De overige twee facturen van € 4.791,60 en € 1.452,00 zien op het opruimen van puin van de huurder en het maken van een deursparing aan de [adres] in [plaats] . Deze facturen moet [gedaagde] ook betalen, omdat zij voor het verrichten van deze werkzaamheden aan [eiseres] opdracht heeft gegeven. Weliswaar voert [gedaagde] aan dat de huurder opdracht heeft gegeven voor het verrichten van die werkzaamheden, maar dat betoog heeft [eiseres] voldoende weerlegd in haar conclusie van repliek. [eiseres] stelt immers dat de heer [DGA] aan haar directeur de heer [A] had verzocht om te verschijnen op het adres [adres] te [plaats] om de opdracht te bespreken. Ook stelt [eiseres] dat [gedaagde] niet heeft gezegd dat de opdracht werd gegeven namens een derde partij. Deze stellingen heeft [gedaagde] niet meer weersproken en daardoor gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiseres] . Dit betekent dat [gedaagde] wordt beschouwd als de contractspartij van [eiseres] en dat zij daarom de twee facturen moet betalen. Dat [gedaagde] hiervan op de hoogte was, blijkt bovendien ook uit de WhatsApp-berichten die als productie 5 bij conclusie van repliek zijn overgelegd. Op 28 december 2023 vraagt [eiseres] aan [gedaagde] : “Vergeet jij vandaag of morgen niet de facturen te betalen”, waarna [gedaagde] op 29 december 2023 antwoordt: “gister was heel druk komt goed”. Op 9 februari 2024 vraagt [eiseres] opnieuw: “Kan jij de facturen betalen”, waarop [gedaagde] antwoord: “word maandag als de dames er zijn maar ja ga ik regelen.” 3.
- Gelet op het voorgaande zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de facturen van € 4.791,60 en € 1.452,
- De gevorderde wettelijke handelsrente van € 500,12 is toewijsbaar 3.
- Niet ter discussie staat dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] kwalificeert als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Het bedrag van € 500,12 komt de kantonrechter als juist voor, gezien de vervaldatum van de facturen. Daarom is de door [eiseres] gevorderde wettelijke handelsrente tot en met 29 mei 2024 toewijsbaar. 3.
- Voor de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 30 mei 2024 geldt dat bij de berekening ervan rekening moet worden gehouden met de factuur van € 3.388,00, die op 28 juni 2024 is betaald. Dit zal daarom worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing weergegeven. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal worden gematigd tot € 871,71 3.
- [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht voor de oorspronkelijke hoofdsom van € 9.934,
- [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Maar de vordering van € 1.243,00 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 871,71 (behorend bij € 9.934,10 aan hoofdsom). De kantonrechter wijst daarom een bedrag van € 871,71 toe. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,37 - griffierecht € 524,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.583,37 3.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4De beslissing De kantonrechter 4.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.917,93 (aan hoofdsom, verschenen rente tot en met 29 mei 2024 en buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over: - het bedrag van € 3.388,00, met ingang van 30 mei 2024 tot 28 juni 2024;- het bedrag van € 6.546,10,met ingang van 30 mei 2024 tot de dag van volledige betaling; 4.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.583,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 4.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2024.