RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Almere Zaaknummer: C/16/575946 / JL RK 24-425 Datum uitspraak: 9 juli 2024 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, gevestigd te Almere, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2024; 1.
- De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli
- Daarbij waren aanwezig: de vader; mevrouw [A] , namens de GI. De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. 2De feiten 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 2.
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader. 2.
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 januari 2024 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 18 januari
- 2.
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 januari 2024 een machtiging verleend [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 18 juli
- 3Het verzoek De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. 4De beoordeling 4.
- Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal hieronder toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Het gaat goed met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij vader. Vader biedt de rust, stabiliteit en veiligheid die [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nodig hebben nadat zij bij moeder een bewogen jaar hebben meegemaakt. Er is een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend bij moeder verblijven, maar moeder werkt hier geregeld niet aan mee. Vader vindt dit lastig nu hij vaak in het weekend moet werken en dan ad hoc oppas moet regelen. Moeder is in januari bevallen van een zoon en verblijft in een kleine woning waarbij de kinderen, als ze bij haar verblijven, in de woonkamer moeten slapen. Voor de kinderen is het een teleurstelling als de omgang steeds niet doorgaat. Ouders zijn gestart met ouderschapsbemiddeling waarbij de eerste individuele gesprekken hebben plaatsgevonden. Komende periode zal er gestart worden met de gezamenlijke gesprekken. Daarnaast zal er ook gestart worden met 10 voor toekomst, die zal helpen in de thuissituatie bij vader. Het is van belang dat de kinderen gedurende de ondertoezichtstelling bij vader verblijven. Om die reden zal ook de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing worden verlengd. 5De beslissing De kinderrechter: 5.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader tot 18 januari 2025; 5.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024 door mr. M.A. Pot, kinderrechter, in aanwezigheid van W.P.J. Rubingh als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.