beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Beschikking van 17 september 2024 in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 11191806 / ME VERZ 24-80 BW 31650 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[verzoekster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,verzoekster, hierna ook te noemen: [verzoekster] ,gemachtigde: mr. M.L. Sterrenberg-Ellerbroek en [verweerder] ,wonende te [woonplaats] ,verweerder, hierna ook te noemen: [verweerder] ,gemachtigde: mr. G.W. Wezelman. 1Het verloop van de procedure 1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: -het verzoekschrift van 3 juli 2024 met 24 producties, -het verweerschrift met (voorwaardelijke) tegenverzoeken van 14 augustus 2024 met producties 25-38, -de aanvullende producties 39-47 van [verzoekster] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2024. Namens [verzoekster] is mevrouw [A] (directeur) verschenen, bijgestaan door mr. Sterrenberg-Ellerbroek. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Wezelman. Beide gemachtigden hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is op de zitting. 1.3. Hierna is uitspraak bepaald. 2De feiten 2.1. [verzoekster] is een handelsbedrijf en detailhandel gespecialiseerd in exclusieve [..] en expert op het gebied van [.] en andere ijzerwaren. 2.2. [verweerder] is sinds 12 juni 2014 in dienst bij [verzoekster] , laatstelijk in de functie van Projectbegeleider [.] tegen een bruto maandloon van € 4.120,00 exclusief overige emolumenten. 2.3. In de arbeidsovereenkomst die per 12 juni 2014 is aangegaan staan een non-concurrentiebeding en een nevenwerkzaamhedenbeding: “ Artikel 11 - Non-concurrentiebeding 1. Het is werknemer verboden om gedurende het dienstverband alsmede gedurende een periode van één jaar na beëindiging van het dienstverband, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever, activiteiten te ondernemen binnen Nederland, op welke wijze dan ook, hetzij in dienstbetrekking, hetzij onder eigen naam, hetzij door samenwerking met natuurlijke of rechtspersonen, welke gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan de activiteiten van werkgever of met werkgever gelieerde ondernemingen, hieronder begrepen (financiële) deelname en/of (in)directe zeggenschap over bedrijven welke gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan werkgever of met werkgever gelieerde ondernemingen. 2. Het is werknemer verboden om gedurende het dienstverband alsmede gedurende een periode van één jaar na beëindiging van het dienstverband direct of indirect contacten te hebben met klanten/opdrachtgevers van werkgever. Onder klanten/opdrachtgevers wordt verstaan, relaties waar [verzoekster] B.V. en/of aan haar gelieerde ondernemingen op dat moment en tot een jaar vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen contacten mee onderhoudt dan wel heeft onderhouden, werkzaamheden voor (heeft) verricht, dan wel lopende contractuele afspraken mee heeft voor het verrichten van diensten en/of het leveren van producten.) 3. (…..) 4. Indien de werknemer dit non-concurrentiebeding overtreedt, moet de werknemer aan de werkgever een boete betalen. De boete bedraagt € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) voor iedere overtreding, te vermeerderen met € 200,00 (zegge: tweehonderd euro) voor iedere dag, of een gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt. De boete is onmiddellijk opeisbaar, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling of andere voorafgaande verklaring in de zin van artikel 6:80 e.v. Burgerlijk Wetboek nodig is. De boete is opeisbaar onverminderd de overige rechten van de werkgever op grond van de wet of deze overeenkomst, waaronder in ieder geval begrepen het recht op nakoming van deze overeenkomst en het recht om schadevergoeding op grond van de wet te vorderen.” Artikel 13 - Nevenwerkzaamheden 1. Het is werknemer verboden op directe of indirecte wijze gedurende het dienstverband, zonder schriftelijke toestemming van werkgever, nevenwerkzaamheden te verrichten, ongeacht of deze al dan niet betaald zijn. Werknemer is gehouden bij werkgever opgave te doen van nevenwerkzaamheden die hij verricht of van plan is te gaan verrichten.” 2.4. In een arbeidsovereenkomst die in 2019 is opgemaakt en die alleen door [verweerder] is ondertekend staat opgenomen dat deze overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan en zijn functie Senior Project Manager [.] betreft. In die overeenkomst staat geen concurrentiebeding opgenomen. 2.5. Op 2 maart 2023 is [verweerder] een eenmanszaak met de naam [eenmanszaak] gestart, waarbij hij via zijn webshop onder meer [.] verkoopt. Deze onderneming is gevestigd op het huisadres van [verweerder] . 2.6. Sinds 14 december 2023 is [verweerder] arbeidsongeschikt. 2.7. Op 30 mei 2024 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] en mevrouw [A] van [verzoekster] . Tijdens dat gesprek confronteert [verzoekster] [verweerder] ermee dat zij heeft ontdekt dat [verweerder] een concurrerende onderneming heeft en daarin actief is. Tijdens dat gesprek heeft [verweerder] erkend een eigen webshop te hebben, maar heeft hij ontkend dat hij daarin zelf actief is. 2.8. Uit het onderzoek dat [verzoekster] heeft gedaan naar de onderneming van [verweerder] blijkt dat de onderneming staat ingeschreven op het huisadres van [verweerder] en dat [verweerder] in elk geval enkele e-mails en WhatsApp-berichten aan klanten heeft verzonden en een telefoongesprek heeft beantwoord. 3De beoordeling in het verzoek en in het voorwaardelijk tegenverzoek 3.1. De eerste vraag die hier voorligt is of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding en een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarnaast heeft [verweerder] een aantal (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend, waarover eveneens moet worden geoordeeld. Geen opzegverbod van toepassing 3.2. Voordat de kantonrechter kan oordelen over het ontbindingsverzoek, moet de kantonrechter op grond van artikel 7:671b lid 2 BW onderzoeken of sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod. [verweerder] stelt dat sprake is van een opzegverbod. Hij stelt dat als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest [verzoekster] geen ontbindingsverzoek zou hebben ingediend, omdat ook andere collega’s nevenwerkzaamheden verrichten en [verzoekster] daar geen problemen mee heeft. Door [verzoekster] is uitdrukkelijk betwist dat haar verzoek tot ontbinding samenhangt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] . Zij verwijt [verweerder] in essentie dat hij zonder dat aan [verzoekster] te laten weten een onderneming heeft opgericht en concurrerende nevenwerkzaamheden heeft verricht, waarbij de omstandigheid dat hij die werkzaamheden ook tijdens zijn arbeidsongeschiktheid een bijkomende factor is. [verzoekster] wijst erop dat zij met twee andere collega’s afspraken heeft gemaakt over nevenwerkzaamheden en zij bij die collega’s dus op de hoogte was van die nevenwerkzaamheden. 3.3. De kantonrechter stelt vast dat de verwijten die [verzoekster] maakt aan [verweerder] in essentie zien op het zonder medeweten van [verzoekster] hebben van een onderneming die soortgelijke producten verkoopt en daarover na navraag geen volledige openheid te geven. Dat [verzoekster] [verweerder] ook verwijt deze werkzaamheden tijdens zijn arbeidsongeschiktheid te hebben verricht is één van de bijkomende omstandigheden. Dat maakt nog niet dat het wettelijk opzegverbod in de weg staat aan de verzochte ontbinding, omdat geen verband bestaat tussen het verzoek tot ontbinding en de arbeidsongeschiktheid. Het opzegverbod tijdens ziekte is hier dus niet van toepassing. Is er een redelijke grond voor ontbinding? 3.4. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 3.5. De redelijke gronden worden weergegeven in artikel 7:669, lid 3, onderdelen c tot en met h BW. Het verzoek van [verzoekster] strekt tot ontbinding op twee van die gronden.[verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van: - verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond); - een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). 3.6. Primair verzoekt [verzoekster] ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens verwijtbaar handelen. Geen voldragen e-grond 3.7. Om tot ontbinding over te gaan wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer moet sprake zijn van zodanig verwijtbaar handelen, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook moet het voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen voor de werknemer duidelijk zijn wat door de werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd. 3.8. [verzoekster] legt aan dit verzoek op de e-grond ten grondslag dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband zonder medeweten van [verzoekster] concurrerende werkzaamheden heeft verricht en daarover ook na navraag niet eerlijk is geweest. Dit is zodanig ernstig volgens [verzoekster] dat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Samengevat maakt [verzoekster] aan [verweerder] de volgende verwijten: A. [verweerder] heeft in strijd met het non-concurrentiebeding een eigen onderneming; B. [verweerder] maakt zich schuldig aan onrechtmatige concurrentie of onrechtmatig handelen en handelt niet als goed werknemer; C. [verweerder] heeft geen openheid van zaken gegeven (zowel vooraf als na navraag) over zijn onderneming; D. [verweerder] heeft werkzaamheden voor zijn eigen onderneming verricht terwijl hij arbeidsongeschikt was. 3.9. [verweerder] erkent dat hij een eigen webshop heeft en dat hij daarin ook soortgelijke producten aanbiedt als [verzoekster] . Hij wijst er echter op dat het een kleine webshop betreft met erg beperkte omzet- en ordervolumes. Ook stelt [verweerder] dat hij zelf nauwelijks werkzaamheden heeft verricht, maar dat de meeste werkzaamheden door een vriend van zijn zoon zijn verricht. A) Geen rechtsgeldig concurrentiebeding 3.10. Het eerste verwijt dat [verzoekster] maakt aan [verweerder] is dat hij in strijd met het non-concurrentiebeding heeft gehandeld. De kantonrechter overweegt als volgt. Het non-concurrentiebeding waar [verzoekster] zich op beroept staat opgenomen in de arbeidsovereenkomst van 12 juni 2014. Die arbeidsovereenkomst is per 12 december 2014 van rechtswege geëindigd en meerdere keren stilzwijgend verlengd. Omdat de verlenging die daarop volgde heeft plaatsgevonden na 1 januari 2015 had het concurrentiebeding om rechtsgeldig te zijn een schriftelijke motivering van de zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen moeten hebben en dat is niet het geval. [verzoekster] heeft aangevoerd dat desondanks het gedeelte van het concurrentiebeding waar het gaat om het verrichten van concurrerende werkzaamheden tijdens het dienstverband rechtsgeldig is gebleven, omdat een concurrentiebeding ook partieel nietig kan zijn. [verweerder] heeft er terecht op gewezen dat partiele nietigheid pas aan de orde kan komen als het beding rechtsgeldig is overeengekomen en de rechter in het kader van een belangenafweging een deel van het beding nietig verklaard. Dat het non-concurrentiebeding niet rechtsgeldig meer is sinds de eerste verlenging na 1 januari 2015 in verband met het vereiste van de motivering van het beding staat verder niet ter discussie. Daarmee is het beding in zijn geheel nietig en kan [verzoekster] daar geen rechten aan ontlenen. Van overtreding door [verweerder] van een concurrentiebeding is dan ook geen sprake. Ten aanzien van de niet door [verzoekster] ondertekende arbeidsovereenkomst uit 2019 heeft [verweerder] opgemerkt dat daarin geen concurrentiebeding is opgenomen. Tijdens de zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat destijds niet tot ondertekening is overgegaan omdat [verweerder] het niet eens zou zijn geweest met alle voorwaarden. De kantonrechter stelt vast dat echter wel duidelijk uit dit concept blijkt dat [verzoekster] niet voornemens was om [verweerder] een concurrentiebeding op te leggen. Omdat vast staat dat het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst uit 2014 niet rechtsgeldig is en er dus geen concurrentiebeding tussen partijen heeft te gelden, kan in het midden worden gelaten of in 2019 een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. 3.11. Verder is van belang dat het aangaan van een concurrentiebeding ex artikel 7:653 BW ziet op werkzaamheden na einde van het dienstverband en dat een beding dat concurrerende werkzaamheden verbiedt gedurende het dienstverband kan worden aangegaan als een nevenwerkzaamhedenbeding. Dat laatste is ook gebeurd in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst uit 2014. Op overtreding van dit nevenwerkzaamhedenbeding heeft [verzoekster] zich tijdens de zitting beroepen. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat dit nevenwerkzaamhedenbeding gelet op het bepaalde in artikel 7:653a lid 1 BW nietig is, omdat [verzoekster] zich niet beroepen heeft op een (rechtsgeldige) objectieve grond die het beding rechtvaardigt. Dit heeft [verzoekster] pas voor het eerst tijdens de zitting gedaan. Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat het op de weg van [verzoekster] had gelegen in een eerder stadium een beroep te doen op die objectieve rechtvaardiging, betekent dat nog niet dat zij zich niet meer kan beroepen op een objectieve rechtvaardigingsgrond. Uit de wetsgeschiedenis is niet af te leiden dat een nevenwerkzaamhedenbeding (op voorhand) geldig is, dan wel nietig, en dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval beoordeeld kan en moet worden of het beding geldig is of niet. [verzoekster] heeft als objectieve rechtvaardiging voor het nevenwerkzaamhedenbeding gegeven dat [verweerder] met de door hem verrichte nevenwerkzaamheden in concurrentie treedt en zijn re-integratie daarmee bovendien heeft gefrustreerd. Naar het oordeel van de kantonrechter had [verweerder] in elk geval melding moeten maken van zijn nevenwerkzaamheden, zodat [verzoekster] op dat moment had kunnen beoordelen of hij daarvoor toestemming kon krijgen. Door dat niet te doen heeft [verweerder] [verzoekster] de kans ontnomen zich daarover uit te spreken, waarover hierna onder rechtsoverweging 3.15 nader wordt geoordeeld. B) Geen onrechtmatige concurrentie 3.12. Om te kunnen beoordelen of sprake is van onrechtmatige concurrentie is allereerst van belang om vast te stellen welke werkzaamheden door [verweerder] zijn verricht. Vast staat dat [verweerder] een eigen onderneming, een webshop, heeft en dat hij daarin deels soortgelijke producten aanbiedt als [verzoekster] . [verweerder] stelt dat hij zelf nauwelijks betrokken is geweest bij de verkoop van producten via de webshop, maar de kantonrechter stelt vast dat [verweerder] dit standpunt niet heeft onderbouwd en dat de overgelegde e-mails, WhatsApp-berichten en een met [verweerder] gevoerd telefoongesprek wel degelijk actieve betrokkenheid van [verweerder] aantonen. Dat [verweerder] concurrerende werkzaamheden heeft verricht staat daarmee vast. 3.13. Om van onrechtmatige concurrentie te spreken moet naast het verrichten van concurrerende werkzaamheden sprake zijn van bijkomende omstandigheden. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven om te kunnen beoordelen of sprake is van onrechtmatige concurrentie, daarvoor gelden drie vereisten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.