RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11324096 \ UV EXPL 24-215 Vonnis in kort geding van 14 november 2024 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , te [woonplaats 1] ,2. [eiseres sub 2], te [woonplaats 2] (Zwitserland),3. [eiseres sub 3], te [woonplaats 3] ,4. [eiseres sub 4], te [woonplaats 4] (woonplaats gemachtigden),5. [eiseres sub 5], te [woonplaats 5] ,6. [eiseres sub 6], te [woonplaats 6] ,7. [eiseres sub 7], te [woonplaats 7] ,8. [eiseres sub 8], te [woonplaats 8] ,9. [eiser sub 9], te [woonplaats 9] ,10. [eiser sub 10], te [woonplaats 4] (woonplaats gemachtigden), eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s., gemachtigden: mr. J.M. Weijers en [naam 1] tegen [gedaagde] , te [woonplaats 10] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. B.E.J.M. Tomlow. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord met producties- de mondelinge behandeling van 31 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.- de declaratie van [eiser sub 1] c.s., overgelegd tijdens de mondelinge behandeling. 1.2. De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2024 plaatsgevonden. De eisende partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, mr. Weijers. [eiseres sub 6] , [eiseres sub 3] en [eiseres sub 7] waren als eisende partijen in persoon aanwezig. Als gemachtigde van eisende partijen was ook [naam 1] aanwezig. [gedaagde] was met zijn echtgenote als gedaagde partij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Tomlow. 1.3. Aan het einde van de zitting is vonnis bepaald. 2De beoordeling De relevante feiten 2.1. [eiser sub 1] c.s. heeft in 2008 op grond van vererving van [naam 2] de eigendom verkregen van een perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [letteraanduiding 1] , nummer [nummeraanduiding 1] , met een omvang van 1.77.95 hectare (het perceel). Aan de westkant grenst het perceel aan de weg ‘ [straat 1] ’. [naam 2] had de eigendom van dit perceel krachtens een akte van levering op 10 november 1965 door koop verkregen. In deze akte van levering was het perceel als volgt omschreven: “De percelen weiland, tuinland en water, met opstallen, bestaande uit een stenen varkensschuur en houten bergloods, aan de [straat 1] onder [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , Sectie [letteraanduiding 1] , nummer [nummeraanduiding 1] , groot een Hectare zeven en zeventig Aren en vijf en negentig Centiaren.” 2.2. [gedaagde] woont aan de [straat 1] [nummeraanduiding 2] te [plaats] en is eigenaar van twee percelen, die kadastraal worden aangeduid als [letteraanduiding 2] [nummeraanduiding 3] en [letteraanduiding 2] [nummeraanduiding 4] . De percelen van [gedaagde] met daarop zijn woning bevinden zich aan de andere zijde van de [straat 1] , (schuin) tegenover het perceel van [eiser sub 1] c.s.. [gedaagde] is geboren en getogen aan de [straat 1] [nummeraanduiding 5] en is daar op enig moment eigenaar van geworden. Later heeft hij nr. [nummeraanduiding 5] verkocht en heeft hij nr. [nummeraanduiding 2] gekocht. 2.3. [gedaagde] heeft vanaf 2009 het perceel gepacht en later gehuurd van de erven van [naam 2] . Het te verpachten land is in de pachtovereenkomst omschreven als: ‘Grasland, [straat 2] [nummeraanduiding 6/letteraanduiding 3] ’ met de kadastrale aanduiding ‘Gemeente [gemeente] , Sectie [letteraanduiding 1] , Nummer [nummeraanduiding 1] ’ met perceelsgrootte ‘ha are ca 17.795’. In de “Bijzondere voorwaarden” bij de pachtovereenkomst is onder meer bepaald: “1. Verpachter houdt de beschikking over en toegang tot de schuren op het verpachte weiland. Pachter heeft geen toegang tot de schuren (..); .. 3. Pachter gebruikt het land uitsluitend om zijn paarden te laten grazen. (..)”. 2.4. Na afloop van de pachtovereenkomst is het perceel door [eiser sub 1] c.s. zonder nieuwe schriftelijke overeenkomst aan [gedaagde] in gebruik gegeven. De (huur)overeenkomst voor het gebruik van het perceel is door opzegging van [eiser sub 1] c.s. en na de instemming van [gedaagde] per 1 maart 2024 geëindigd. 2.5. [eiser sub 1] c.s. heeft op 5 juli 2024 een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan de eigendom van het perceel wordt overgedragen aan de gemeente [gemeente] . [eiser sub 1] c.s. heeft daarna geconstateerd dat [gedaagde] het perceel niet leeg en ontruimd heeft opgeleverd. Op het perceel staan onder meer nog een container en hekwerken. [gedaagde] heeft ook een hekwerk geplaatst op de [straat 1] die het perceel ontsluit. De levering van het perceel aan de gemeente [gemeente] die per 5 augustus 2024 had moeten plaatsvinden, heeft daarom nog niet plaatsgevonden. De vordering en het verweer 2.6. [eiser sub 1] c.s. vordert samengevat - de veroordeling van [gedaagde] om het perceel volledig te ontruimen en ontruimd te houden. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] stelt dat hij eigenaar is van een strook op het perceel. [gedaagde] doelt op een strook op het perceel, tussen een gedeeltelijk gedempte sloot op het perceel en de [straat 1] (de strook). [gedaagde] heeft het gebied van de strook met rood gearceerd op een luchtfoto van het perceel van [eiser sub 1] c.s. en de percelen van [gedaagde] (productie 1 cva). [gedaagde] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van deze strook. Volgens [gedaagde] is die strook al meer dan 70 jaar in het bezit van zijn familie, eerst van zijn vader als rechtsvoorganger en daarna van [gedaagde] . Wat beslist de kantonrechter? 2.7. [eiser sub 1] c.s. krijgt geen gelijk. De kantonrechter wijst de ontruiming af en veroordeelt [eiser sub 1] c.s. om [gedaagde] de proceskosten te betalen. De kantonrechter legt deze beslissing hierna uit. Er is een spoedeisend belang 2.8. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet dat er geen spoedeisend belang aanwezig is bij de vordering van [eiser sub 1] c.s.. De huurovereenkomst met [gedaagde] is geëindigd waarna [gedaagde] zaken op het perceel heeft geplaatst of niet verwijderd. [gedaagde] maakt daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser sub 1] c.s., waardoor [eiser sub 1] c.s. het perceel niet volledig leeg en ontruimd aan de gemeente [gemeente] kan leveren. Daarmee is het spoedeisend belang van [eiser sub 1] c.s. bij haar vordering gegeven. [eiser sub 1] c.s. is dan ook ontvankelijk in haar vordering. Het verdere toetsingskader in kort geding 2.9. In deze kortgedingprocedure wordt aan de kantonrechter gevraagd om een spoedmaatregel (voorlopige voorziening) te nemen. De kantonrechter moet daarvoor beoordelen of het voldoende aannemelijk is dat een op artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gebaseerde rechtsvordering tot revindicatie en in het verlengde daarvan een ontruimingsvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de door [eiser sub 1] c.s. gevorderde maatregel, die vooruitloopt op de beslissing in de bodemprocedure, worden toegewezen. Het is voldoende aannemelijk dat [eiser sub 1] c.s. eigenaar is van het perceel 2.10. [eiser sub 1] c.s. heeft voldoende onderbouwd dat zij op grond van vererving van [naam 2] de eigendom van het perceel heeft verkregen. [eiser sub 1] c.s. heeft daarvoor verwezen naar informatie van het Kadaster. Voor zover [gedaagde] stelt dat hij al eigenaar is van de hiervoor beschreven strook van het perceel, heeft hij daarvoor onvoldoende gesteld, gelet op de kadastrale eigendomsinformatie over het perceel waarop de strook zich bevindt. Geen eigendom door verkrijgende verjaring 2.11. [gedaagde] heeft subsidiair gesteld dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van een strook van het perceel van [eiser sub 1] c.s.. 2.12. Uit artikel 3:99 BW volgt dat voor verkrijgende verjaring is vereist dat [gedaagde] de strook tien jaar onafgebroken te goeder trouw in bezit heeft gehad. 2.13. Uit de eigendomsinformatie van het Kadaster en de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde luchtfoto van het perceel van [eiser sub 1] c.s. (productie 7
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.