RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/4053 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2024 in de zaak tussen [eiser] , [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: F.R. Eggink). en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 7 februari
- Overwegingen 1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser is namelijk te laat met het indienen van beroep, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
- In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 18 maart
- Het beroepschrift had dus uiterlijk op 20 maart 2024 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 6 juni
- Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
- Eiser geeft aan per brief gedateerd van 23 juli 2024 dat hij op 5 april 2024 al een beroepschrift zou hebben ingediend en dat dit niet door de rechtbank geregistreerd zou zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift gedateerd van 5 april 2024 echter nooit ontvangen. De screenshot, die eiser op 23 juli 2024 stuurde, maakt het voor de rechtbank niet aannemelijk dat het beroepschrift dan wel zou zijn ingediend. Hieruit blijkt slechts dat eiser op 5 april 2024 een stuk heeft ingediend bij de Rechtbank Noord-Holland.
- Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).
- Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van C.A.A.W. van der Heijden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.