RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/6139-T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen [eiser 1] B.V., [eiser 2] en [eiser 3] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. S.A. de Graaf), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder (gemachtigden: K.G. Vrielink en mr. A. van Dekken). Verder neemt als partij aan de zaak deel: Claris Zorgvilla’s Nederland B.V., (gemachtigde: mr. H. Koolen). Partijen worden in deze uitspraak eisers, het college en vergunninghouder genoemd. Procesverloop Eisers zijn eigenaar van een aantal percelen aan de [adres] in [plaats] . Op deze percelen exploiteren zij een rundvee- en paardenhouderij en eiser [eiser 3] is eigenaar van de bedrijfswoning. Vergunninghouder heeft plannen ontwikkeld voor een nieuwe bestemming van het voormalige politiebureau naast de percelen van eisers. Eerdere procedure Het college heeft op 12 juli 2022 een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van een zorgvilla met 26 appartementen en bijbehorende functies (hierna aangeduid als de zorgvilla). Eisers hebben beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning (zaaknummer UTR 22/4603). In de uitspraak van 13 juli 2023 heeft de rechtbank de omgevingsvergunning van 12 juli 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag. Deze procedure Het college heeft op 31 oktober 2023 een nieuw besluit op de aanvraag genomen en een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van de zorgvilla en een geluidsscherm. Eisers zijn het ook niet eens met de nieuwe omgevingsvergunning. Zij vrezen dat het realiseren van de zorgvilla negatieve gevolgen heeft voor hun bedrijf(svoering) en hun toekomstplannen en zij vinden dat het college niet heeft aangetoond dat bij de zorgvilla sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners. Zij hebben daarom opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2024 op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen [eiser 3] en zijn partner [A] , bijgestaan door hun gemachtigde en [B] ( [B] ). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [gemachtigde] ( [gemachtigde] ) en [C] . Beoordeling 1. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vergunninghouder haar aanvraag voor een omgevingsvergunning voor die datum heeft ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. 2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak de verlening van de omgevingsvergunning voor de zorgvilla en een geluidsscherm. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Eisers hebben naast inhoudelijke gronden ook een bevoegdheidsvraag aan de orde gesteld. Die moet de rechtbank bespreken vóórdat zij een inhoudelijk oordeel over het besluit kan geven. De rechtbank oordeelt dat er een mandaatgebrek kleeft aan het besluit van 31 oktober 2023. De rechtbank geeft het college de gelegenheid dit gebrek te herstellen en doet daarom een tussenuitspraak. Zij legt dit hierna uit. Standpunten 3. Eisers voeren aan dat het college het besluit van 31 oktober 2023, waarbij de omgevingsvergunning is verleend, niet zelf heeft genomen. Het besluit komt namelijk niet voor op de besluitenlijsten van de collegevergaderingen. Uit de omgevingsvergunning zelf en uit de brief van 18 juni 2024 blijkt verder ook niet wie het besluit heeft genomen. Voor het geval al zou gelden dat het besluit in mandaat door een aangewezen mandataris is genomen, dan is dit volgens eisers in strijd met artikel 5, eerste lid, onder f en i, van de Mandaatregeling Wijdemeren 2022 (de Mandaatregeling). Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is dus onbevoegd genomen en moet worden vernietigd. 4. Het college stelt zich op het standpunt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning conform de Mandaatregeling door de daartoe aangewezen mandataris is genomen. Per abuis is in het besluit zelf niet opgenomen dat het besluit namens het college is genomen, maar dit maakt niet dat het besluit onbevoegd is genomen. Het besluit is bovendien aan de portefeuillehouder voorgelegd. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het college met de inhoud van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning kan instemmen en dat het college de overwegingen in dit besluit voor zijn rekening neemt en dus – voor zover al nodig – “bekrachtigt”. Het college verwijst hiervoor ook naar de brief van 18 juni 2024. Het college acht het niet aannemelijk dat eisers door een eventueel ondertekeningsgebrek zijn benadeeld. Mandaat 5. Op grond van artikel 10:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder mandaat verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Op grond van artikel 10:3 van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. 6. In het bevoegdhedenregister van de Mandaatregeling is aan de Medewerker Ontwikkeling III mandaat verleend voor: Verg12 Besluit tot geheel of gedeeltelijk verlenen, weigeren of wijzigen van een (tijdelijke) omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wabo, tenzij tegen de ontwerpbeschikking zienswijzen zijn ingediend, inclusief het nemen van procedurebesluiten die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de definitieve beschikking alsmede het wijzigen van voorschriften. NB. Niet gemandateerd is het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, maar in overeenstemming met een goede ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verg14 Besluit tot verlening, weigering, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wabo, indien tegen de ontwerpbeschikking wel zienswijzen zijn ingediend (dit is in afwijking van het bepaalde in artikel 5, lid 1, sub i, van de Mandaatregeling) onder de voorwaarde van voorafgaand overleg met het lid van het college van B&W dat portefeuillehouder is. Artikel 5, Algemene regels, uitzonderingen, van de Mandaatregeling luidt – voor zover van belang –: 1. De mandataris is bevoegd tot het nemen van besluiten als vermeld onder bijlagen I en II, tenzij: (…);
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.