Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2024:6390
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/7442 en UTR 24/7451 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2024 in de zaken tussen [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] , [verzoeker 6] , [verzoeker 7] [verzoeker 8] , allen uit [plaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. J.H.D. Elings) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder, (gemachtigde: T. den Braven).
Verder is partij bij de zaak: de gemeente Vijfheerenlanden.
Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over graafwerkzaamheden in een archeologisch waardevol gebied in [plaats] . De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het college direct had moeten beslissen op de vraag van verzoekers om deze werkzaamheden stil te leggen en geeft het college de opdracht om alsnog snel een besluit te nemen. In afwachting daarvan wordt een voorlopige voorziening getroffen die inhoudt dat er nu niet mag worden gegraven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter – beroep niet tijdig beslissen Het college had direct op het handhavingsverzoek moeten beslissen 5. De voorzieningenrechter heeft genoeg informatie om niet alleen op het verzoek om voorlopige voorziening te beslissen, maar ook direct op het beroep vanwege niet tijdig beslissen. Verder onderzoek naar de zaak is niet nodig. Een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt in beginsel zonder zitting vereenvoudigd behandeld (artikel 8:55b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De voorzieningenrechter vindt een zitting in dit geval ook niet nodig en doet daarom direct uitspraak.
Het college krijgt nu nog twee weken om op het handhavingsverzoek te beslissen 8. Uit het voorgaande volgt 1) dat een periode van 48 uur een redelijke beslistermijn was om op het handhavingsverzoek te beslissen, 2) dat het niet redelijk is om van verzoekers te vragen om het college eerst in gebreke te stellen en 3) dat het beroep daarom niet te vroeg is ingesteld.
Het college moet de kosten van de procedure betalen 12. Omdat het beroep gegrond is, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Deze vergoeding is € 437,50 voor rechtsbijstandskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroep met wegingsfactor 0,5).
Beoordeling voorzieningenrechter – verzoek voorlopige voorziening 14. Met deze uitspraak bereiken verzoekers wel dat het college zich snel over het handhavingsverzoek moet buigen, maar er is geen bescherming tegen eventuele onrechtmatige graafwerkzaamheden in de tussentijd. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om af te wegen of hij een voorlopige voorziening moet treffen. De voorzieningenrechter geeft hiervoor een inschatting van de kans van slagen van het handhavingsverzoek en weegt de belangen van verzoekers en van de gemeente bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij geldt dat de rechtbank later – in een eventuele procedure over de beslissing op het handhavingsverzoek – niet is gebonden aan het oordeel dat nu op hoofdlijnen wordt gegeven in het kader van deze voorlopige voorziening.
Het graven is omgevingsvergunningplichtig 15. Op de locatie van de graafwerkzaamheden geldt het Paraplubestemmingsplan Archeologie Vijfheerenlanden, dat op grond van het overgangsrecht geldt als deel van het Omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden (artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g van de Invoeringswet Omgevingswet). Het college heeft telefonisch aan de griffier van de voorzieningenrechter laten weten dat er beroep is ingesteld tegen het bestemmingsplan en dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is gedaan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zolang het in werking getreden bestemmingsplan echter niet is geschorst, moet iedereen zich daaraan houden.
Er is nu geen concreet zicht op legalisatie 17. Het college zal bij de beslissing op het handhavingsverzoek vervolgens in acht moeten nemen dat hij in beginsel gehouden is om handhavend op te treden tegen een overtreding. Alleen bij bijzondere omstandigheden mag het college daarvan afzien. Dat kan het geval zijn als er concreet zich op legalisatie bestaat of als handhavend optreden in een concrete situatie onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
De voorzieningenrechter legt een graafverbod op 20. In het licht hiervan vindt de voorzieningenrechter dat sprake is van een spoedeisende situatie die gelet op de belangen van verzoekers vergt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen die inhoudt dat er niet mag worden gegraven in afwachting van de beslissing op het handhavingsverzoek van verzoekers. Bepalend daarvoor is de onomkeerbaarheid van het verstoren van de bodem in relatie tot de onzekerheid over eventuele vergunningverlening. Het belang van de archeologische waarden moet dan voorgaan.
Het college moet de kosten van de procedure betalen 22. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Deze vergoeding is € 437,50 voor rechtsbijstandskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroep met wegingsfactor 0,5).
Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op uiterlijk twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op het handhavingsverzoek van verzoekers bekend te maken; bepaalt dat het college aan verzoekers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; treft de voorlopige voorziening dat er geengraafwerkzaamheden mogen plaatsvinden op het perceel aan de [adres] in [plaats] ; bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de te nemen beslissing op het handhavingsverzoek van verzoekers, dan wel als een omgevingsvergunning wordt verleend voor de graafwerkzaamheden; veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van totaal € 875,-; draagt het college op het betaalde griffierecht van tweemaal € 187,- aan verzoekers te vergoeden.
Deze uitspraak is op 20 november 2024 gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep vanwege niet tijdig beslissen, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de getroffen voorlopige voorziening staat geen beroep of verzet open.