← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:6482

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/582075 / KG ZA 24-497 Vonnis in kort geding van 26 november 2024 in de zaak van [eiser] HODN [handelsnaam] , te [vestigingsplaats 1] , eiser, advocaat: mr. D. van Toor, tegen [gedaagde] B.V., te [vestigingsplaats 2] , gedaagde, Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 oktober 2024, met producties 1 tot en met 8; de mondelinge behandeling van 12 november 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.
  2. Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken. 2De kern 2.
  3. [eiser] heeft juridische werkzaamheden verricht voor [gedaagde] en hiervoor facturen verstuurd van in totaal € 97.296,
  4. [gedaagde] heeft deze facturen niet volledig betaald. [eiser] vordert daarom betaling van € 82.296,10, vermeerderd met rente. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe. 3De beoordeling De vordering van [eiser] wordt toegewezen 3.
  5. Het gaat in dit kort geding om een vordering tot betaling van een geldsom. Dan is terughoudendheid op zijn plaats. Bij de beoordeling zal de voorzieningenrechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter ook rekening houden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen, mocht de bodemrechter anders beslissen. 3.
  6. Aan de vereisten voor het toewijzen van een geldvordering in kort geding is voldaan. [gedaagde] heeft erkend dat zij nog betaling van de facturen is verschuldigd, zodat de vordering van [eiser] vaststaat. Daarbij heeft [eiser] een spoedeisend belang bij het incasseren van zijn vordering. Zijn eigen bedrijfsvoering komt namelijk in gevaar, doordat [gedaagde] al geruime tijd niet aan haar betalingsverplichting voldoet. [gedaagde] heeft op zitting aangevoerd dat de vertraging gelegen is in het feit dat er liquiditeitsproblemen zijn ontstaan. Maar deze omstandigheid ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting tegenover [eiser] . De voorzieningenrechter zal dan ook (zoals gevorderd en niet weersproken) [gedaagde] veroordelen tot betaling van € 82.296,10, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.
  7. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiser] heeft op zitting zijn vordering tot veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke proceskosten ingetrokken. De proceskosten van [eiser] worden daarom conform het liquidatietarief begroot op: - kosten van de dagvaarding € 115,22 - griffierecht € 1.325,00 - salaris advocaat € 715,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.333,22 Uitvoerbaarheid bij voorraad 3.
  8. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4De beslissing De voorzieningenrechter: 4.
  9. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 82.296,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling, 4.
  10. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.333,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.
  11. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 26 november
  12. 5315

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.