RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 11158325 UC EXPL 24-4079 JH/1050 Vonnis van 4 december 2024 inzake [eiser] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij, procederend in persoon, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. M.M.S. Meinhardt. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met 13 producties en de conclusie van antwoord met 19 producties. [eiser] heeft daarna schriftelijk gereageerd op de conclusie van antwoord. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2024. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn vader. Namens [gedaagde] zijn verschenen de heren [A] (directeur), [B] (sales manager) en [C] (operationeel manager), bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van [gedaagde] heeft dit gedaan aan de hand van een pleitnota. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 1.3. Hierna is uitspraak bepaald. 2Kern van de zaak Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] na het einde van de arbeidsovereenkomst op de eindafrekening van [eiser] studiekosten mocht inhouden. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] dit niet mocht doen. De op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaarde cao verplicht [gedaagde] namelijk om de kosten van een verplichte opleiding te betalen. Daarvan is in dit geval sprake. De tussen partijen gesloten studiekostenovereenkomst is nietig. 3Achtergrond van de zaak 3.1. [eiser] is op 27 december 2022 in dienst getreden van [gedaagde] als aspirant beveiligingsbeambte, aanvankelijk voor de duur van twee maanden. De arbeidsovereenkomst is daarna verlengd tot 14 december 2023. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Particuliere Beveiliging (hierna te noemen: de cao) van toepassing verklaard. 3.2. Om de functie van beveiligingsbeambte te mogen uitvoeren is volgens de wet een diploma beveiliger verplicht. Die verplichting geldt de eerste 12 maanden niet voor beveiligers in opleiding die van de Korpschef van Politie toestemming hebben gekregen (een groene pas) om beveiligingswerk te verrichten. Dat is bepaald in artikel 7 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en artikel 5 Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. 3.3. [eiser] beschikt niet over het diploma beveiliger. Gelet op de wettelijke opleidingseis en het verkrijgen van de tijdelijke groene pas zijn partijen daarom voorafgaand aan de indiensttreding van [eiser] overeengekomen dat [eiser] de opleiding ‘ [.] ’ zou gaan volgen bij opleidingsinstituut [opleidingsinstituut] . De kosten hiervoor bedroegen € 2.097 en zijn door [gedaagde] betaald. Partijen hebben op 14 november 2022 een studiekostenovereenkomst (Studieverklaring) gesloten waarin een terugbetalingsverplichting is opgenomen. In die overeenkomst is onder meer opgenomen dat [eiser] de studiekosten moet terugbetalen als hij de opleiding niet binnen een jaar met succes heeft afgerond. Als [eiser] de opleiding met succes zou afronden, zou hij bij [gedaagde] als gediplomeerd beveiliger mogen gaan werken. 3.4. [eiser] heeft zich vervolgens ingeschreven bij het opleidingsinstituut [opleidingsinstituut] . [eiser] , [gedaagde] en [opleidingsinstituut] hebben op 14 december 2022 een BPV-overeenkomst (beroepspraktijkvorming) gesloten. [gedaagde] heeft vervolgens bij de Korpschef van Politie een tijdelijke groene pas voor [eiser] aangevraagd. Die pas is verleend tot 14 december 2023. 3.5. [eiser] heeft de opleiding niet binnen een jaar met succes afgerond. 3.6. [gedaagde] heeft [eiser] bij brief van 10 november 2023 meegedeeld dat de arbeidsoverkomst op 14 december 2023 eindigt. [gedaagde] heeft toegelicht dat het vanwege het niet behalen van de opleiding tot beveiliger wettelijk niet is toegestaan om de arbeidsovereenkomst te verlengen. [gedaagde] heeft op de eindafrekening van [eiser] een bedrag van € 2.175 aan opleidingskosten ingehouden. 3.7. [eiser] is het niet eens met de inhouding en stelt dat de opleiding een verplichte opleiding betrof die op grond van de wet en de cao kosteloos aan hem moest worden aangeboden. Hij vordert daarom in deze zaak nietigverklaring van de studiekostenovereenkomst en betaling door [gedaagde] van € 2.175, te vermeerderen met wettelijke rente en de kosten van de procedure. 3.8. [gedaagde] voert verweer. Zij stelt allereerst dat er geen sprake is van wettelijk verplichte scholing die kosteloos aangeboden moest worden. De studiekostenovereenkomst is volgens haar geldig. Op basis van die overeenkomst mocht zij de studiekosten verrekenen. [gedaagde] voert daarnaast aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als zij de studiekosten van [eiser] moet betalen. [eiser] heeft het volgens haar namelijk geheel aan zichzelf te wijten dat hij de opleiding niet heeft behaald. [gedaagde] heeft er alles aan gedaan om [eiser] dusdanig te faciliteren dat hij de opleiding tijdig met een diploma kon afronden. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter zal eerst beoordelen of er sprake is van een verplichte opleiding die door [gedaagde] kosteloos aan [eiser] had moeten worden aangeboden. Daarna zal worden ingegaan op de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] de studiekosten moet betalen. Verplichte opleiding 4.2. In de wet (artikel 7:611a BW) is bepaald dat de werkgever de werknemer in staat moet stellen om scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie. Verplichte scholing op grond van toepasselijk Unierecht, nationaal recht, een cao of een regeling van een bevoegd bestuursorgaan moet de werkgever kosteloos aan de werknemer aanbieden. Ieder beding (zoals een studiekostenovereenkomst) in strijd hiermee is nietig. 4.3. [eiser] stelt (onder meer) dat de cao [gedaagde] verplicht de opleiding tot beveiliger kosteloos aan te bieden. De kantonrechter is het met [eiser] eens en zal dit hierna toelichten. 4.4. In artikel 55 van de cao staat het volgende: “Artikel 55 Verplichte opleidingen 1Je volgt opleidingen die nodig zijn voor je functie Je werkgever biedt je de opleidingen aan die nodig zijn om je (toekomstige) functie goed te kunnen uitvoeren. Of omdat dit in de wet staat. Je bent verplicht om die opleidingen te volgen. Je volgt deze opleidingen aan het instituut dat je werkgever aanwijst. (…) 4. Je werkgever betaalt de kosten van een verplichte opleiding Je werkgever betaalt 1 keer het inschrijfgeld, lesgeld en examengeld. Behalve als deze kosten op een andere manier worden vergoed. Ook betaalt je werkgever de reiskosten (volgens artikel 47).” 4.5. Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten cao-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van artikel 55 van de cao duidelijk is. Het artikel is ruim geformuleerd. De werkgever draagt de kosten voor de opleidingen die de werknemer nodig heeft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.