RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 10822703 \ AC EXPL 23-2779 CMR/51145 Vonnis van 10 juli 2024 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: de heer [A] , tegen [gedaagde] , wonend in [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.P.H.C. Swarts. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald. 1.
- Op 7 juni 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] was aanwezig, samen met zijn zus en zijn gemachtigde. [gedaagde] was aanwezig, samen met zijn ambulant begeleider en zijn gemachtigde. 1.
- Hierna is bepaald dat er een vonnis komt. 2De beoordeling Kern van de zaak 2.
- [gedaagde] heeft op 15 januari 2022 € 6.250,00 van [eiser] geleend voor het aanschaffen van een brommobiel. [eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [gedaagde] maandelijks € 75,00 zou aflossen. [gedaagde] is op enig moment gestopt met aflossen. Volgens [eiser] moet [gedaagde] nog € 5.025,00 aan hem betalen. In deze procedure vordert hij daarom betaling van dit bedrag, plus rente en kosten. Volgens [gedaagde] heeft hij meer afgelost en moet hij nog € 3.875,00 betalen. De kantonrechter volgt [eiser] in zijn stellingen en wijst de vordering toe. [gedaagde] moet € 5.025,00 aan [eiser] betalen 2.
- [gedaagde] heeft € 6.250,00 geleend van [eiser] , waarvan hij ten minste een bedrag van € 1.225,00 heeft terugbetaald, zowel contant als per bankoverschrijving. Volgens [gedaagde] heeft hij € 1.120,00 méér terugbetaald. [gedaagde] stelt namelijk dat hij meerdere grote bedragen contant heeft betaald aan de zus van [eiser] , met wie hij tot september 2022 een relatie had. Dit verweer slaagt niet. 2.
- Omdat [eiser] betwist dat hij deze contante betalingen heeft ontvangen, ligt het op de weg van [gedaagde] om te onderbouwen en te bewijzen dat hij de gestelde bedragen aan [eiser] heeft betaald. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende gedaan. [gedaagde] heeft onvoldoende concreet gemaakt dat hij in totaal een bedrag van € 1.120,00 contant heeft betaald. [gedaagde] heeft wel verklaringen overgelegd van kennissen en van zijn moeder waarin staat dat zij namens [gedaagde] bedragen contant aan de zus van [eiser] hebben betaald. Deze verklaringen zijn erg summier. Hierin staat bijvoorbeeld niet concreet wanneer de bedragen contant zijn betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaard dat hij zijn vakantiegeld in mei 2022 contant aan de zus van [eiser] heeft betaald. Maar de zus van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling ontkend al deze bedragen te hebben ontvangen. Bovendien is in ieder geval niet gebleken dat geld via de zus bij [eiser] terecht is gekomen ten behoeve van de aflossing van de geldlening. 2.
- Omdat het verweer van [gedaagde] niet slaagt, betekent dit dat er nog een bedrag van € 5.025,00 openstaat. [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiser] betalen. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over een betalingsregeling. Volgens de gemachtigde van [eiser] is dat geen probleem. De kantonrechter bepaalt daarom dat het bedrag kan worden afgelost met € 75,00 per maand. Dat is het bedrag waarvan [gedaagde] heeft verklaard dat hij dat maandelijks kan betalen. De eerste termijn moet voor 1 augustus 2024 zijn betaald. Als [gedaagde] een termijn niet (op tijd) betaalt, dan wordt het hele restant bedrag ineens opeisbaar. Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten 2.
- [eiser] vordert een bedrag van € 312,90 aan wettelijke rente. Deze vordering wordt afgewezen. De wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is met betaling, maar [eiser] heeft niet gesteld per wanneer [gedaagde] in verzuim is geraakt en dus ook niet vanaf wanneer dit gevorderde bedrag aan wettelijke rente is berekend. 2.
- Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 757,76 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 626,25 bij € 5.025,00 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 626,25 toe. Proceskosten 2.
- [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 130,48 - griffierecht € 244,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.187,48 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.025,00 in maandelijkse termijnen van € 75,00, iedere termijn te betalen vóór de eerste van elke maand, waarvan de eerste termijn vóór 1 augustus 2024 moet zijn betaald, met dien verstande dat het totaal verschuldigde bedrag geheel en ineens opeisbaar wordt, als [gedaagde] een termijn niet (op tijd) betaalt, 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 626,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.187,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.