RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 10518156 \ AC EXPL 23-1151 RvdH/1037 Vonnis van 27 november 2024 in de zaak van [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. E.H.H. Schelhaas, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.A. Spigt. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, - de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging van eis in conventie met producties 1 tot en met 17, - de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte wijziging van eis in reconventie, - de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating t.a.v. de wijziging van eis in reconventie en akte wijziging van eis in conventie met producties 18 en 19,- de akte uitlating producties in conventie. 1.
- De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is. 2Waar gaat deze zaak over? 2.
- [eiseres] is huurder van het pand aan de [adres] in [plaats] . Het pand bestaat uit een winkelruimte met daarboven twee etages die werden gebruikt als woonruimten. 2.
- [eiseres] huurt van [onderneming 1] B.V. [eiseres] is met [onderneming 1] B.V. overeengekomen dat zij zelf een overeenkomst voor de nutsvoorzieningen sluit. 2.
- [eiseres] heeft met de heer [A] per 1 april 2005 een franchise- en een onderhuurovereenkomst gesloten. De franchiseovereenkomst zag op de formule ‘ [.] ’ die [A] zou uitbaten in de winkelruimte van het pand. De onderhuurovereenkomst zag op het gehele pand: de winkelruimte en de twee etages daarboven. Met ingang van 26 mei 2009 zijn de rechten en plichten uit hoofde van de franchise- en huurovereenkomst van [A] overgedragen aan de besloten vennootschap [onderneming 2] B.V. [A] werd bestuurder van die besloten vennootschap. 2.
- Op 17 november 2022 is [onderneming 2] B.V. in staat van faillissement verklaard. Daaraan ging een surseance van betaling vooraf. Bij e-mail van 25 november 2022 heeft [eiseres] de huurovereenkomst met [onderneming 2] B.V. opgezegd. De winkelruimte is leeg komen te staan en [eiseres] heeft geen huur meer van [onderneming 2] B.V. ontvangen. 2.
- [eiseres] is er na het faillissement achter gekomen dat [A] de woonruimten op de twee etages heeft verhuurd, waarvan een aan [gedaagde] . De huurovereenkomst tussen [A] en [gedaagde] is van 1 juni
- [A] en [gedaagde] zijn een all-inhuurprijs overeengekomen: gas, water en elektra komen volgens de huurovereenkomst voor rekening van [A] . [gedaagde] is na het faillissement op één van de etages blijven wonen. Haar gemachtigde heeft op 13 december 2023 de huur opgezegd. [gedaagde] heeft de woonruimte op 12 januari 2024 ontruimd. Tot die datum heeft zij elektriciteit verbruikt. 2.
- Een dochtervennootschap van [eiseres] heeft betaald voor het elektriciteitsverbruik in de periode 1 december 2022 tot 12 januari 2024 en zij heeft die kosten in rekening gebracht bij [eiseres] . [eiseres] heeft die betaald, maar zij vindt dat [gedaagde] de kosten moet dragen. 3Het geschil 3.
- [eiseres] vordert – na wijziging van eis – dat: primair, [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 24.920,85 (elektriciteit en buitengerechtelijke incassokosten) te vermeerderen met de wettelijke rente, en subsidiair, indien [gedaagde] huurder van [eiseres] was, [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 11.245,39 (achterstallige huur). [eiseres] wil ook dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt. 3.
- [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.
- [gedaagde] vordert in reconventie – na wijziging van eis – dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.200,00 als vergoeding voor gederfd huurgenot (vanwege een niet werkende cv-ketel) van [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.
- De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] geen onder-onderhuurder is van [eiseres] : er is namelijk niet gesteld dat [A] een huurovereenkomst met [onderneming 2] B.V. heeft gesloten. Als dat wel zo was, dan kon [eiseres] [gedaagde] in deze procedure ook niet aanspreken als haar onderhuurder, omdat [gedaagde] de huurder van [A] is. [A] zou in die situatie en na het faillissement van [onderneming 2] B.V. de onderhuurder van [eiseres] zijn. [eiseres] en [gedaagde] hebben dus geen huurrelatie met elkaar. 4.
- [A] had als bestuurder van [onderneming 2] B.V. de feitelijke beschikking over het pand en heeft kennelijk zo de woonruimte aan [gedaagde] kunnen verhuren. [eiseres] stelt dat [A] daartoe onbevoegd was, maar dat tast de totstandkoming van de huurovereenkomst met [gedaagde] in beginsel niet aan. 4.
- De vraag is wat onder de hiervoor (zie ook 2.5 en 2.6) genoemde omstandigheden en de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] de grondslag is om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten voor het elektraverbruik. Primair stelt [eiseres] dat er sprake is van onrechtmatige daad, omdat [gedaagde] zonder recht of titel gebruik maakte van de woonruimte en de elektriciteit. Maar dat is niet het geval: [gedaagde] had een huurovereenkomst met [A] en daarbij was het verbruik van elektriciteit inbegrepen. 4.
- Subsidiair stelt [eiseres] dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, omdat [gedaagde] is verrijkt door de levering van elektriciteit zonder daarvoor te betalen en [eiseres] is verarmd omdat zij voor het verbruik heeft betaald. Ook deze grondslag leidt niet tot toewijzing van de vordering van [eiseres] . De verrijking is namelijk pas ongerechtvaardigd als voor het behoud daarvan geen rechtsgrond bestaat. Daarvan is in dit geval geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen, mocht [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst met [A] elektriciteit verbruiken. Het is niet duidelijk of [gedaagde] [A] heeft betaald, maar dat is voor de beslissing in deze procedure niet relevant. Conclusie 4.
- De primaire vordering van [eiseres] die ziet op vergoeding van de elektriciteitskosten wordt afgewezen omdat de grondslag daarvoor ontbreekt. De subsidiaire vordering die ziet op de betaling van de achterstallige huur wordt afgewezen, omdat tussen [eiseres] en [gedaagde] geen huurovereenkomst bestond. Als gevolg van het voorgaande worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ook afgewezen. 4.
- [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 1.086,00 (2 punten × € 543,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.221,00 in reconventie 4.
- [gedaagde] vordert een vergoeding voor gederfd huurgenot, omdat de cv-ketel niet werkte. De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat [gedaagde] een dergelijke vordering niet kan richten tot [eiseres] . [eiseres] heeft namelijk geen huurrelatie met [gedaagde] en was dus niet verplicht tot het verschaffen van huurgenot. 4.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 270,00 (2 punten × € 135,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 337,50 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.
- wijst de vorderingen van [eiseres] af, 5.
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. in reconventie 5.
- wijst de vorderingen van [gedaagde] af, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 337,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2024.