RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/289433-24 (P) Verkort vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats 1] , (hierna: verdachte). 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.P. Jansen en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z. Rajcevic, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte: Feit 1 van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024 in Utrecht samen met anderen harddrugs (1,044 kg MDMA en 0,83 gram amfetamine) heeft afgeleverd en/of vervoerd; Feit 2 van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024 in Utrecht samen met anderen 391,41 gram ketamine in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd, zonder daarvoor een registratie te hebben. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, waardoor de aangetroffen verdovende middelen en de ketamine op basis van artikel 359a Sv dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er alleen sprake is van het aanwezig hebben van de harddrugs en ketamine en niet van het vervoeren ervan. Verder kan volgens de raadsvrouw alleen worden bewezen dat er 1.014 gram MDMA is aangetroffen bij verdachte. Voor het overige refereert de raadsvrouw zich, ten aanzien van het bewijs, naar het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 De rechtbank is van oordeel dat feit 1 en feit 2 bewezen kunnen worden verklaard. Wanneer hoger beroep tegen dit vonnis wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring worden uitgewerkt en worden opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht. De rechtbank zal in de bewijsoverwegingen ingaan op de gevoerde verweren. Bewijsoverwegingen Vormverzuim De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er onvoldoende verdenking was dat verdachte de Opiumwet aan het overtreden was. Hij mocht daarom niet verder geobserveerd worden, maar desondanks heeft de politie verdachte gevolgd en gecontroleerd. Dit zou een vormverzuim opleveren, waardoor de aangetroffen verdovende middelen en ketamine uitgesloten moeten worden van het bewijs. De rechtbank stelt vast dat de politie de woning aan de [adres] is gaan observeren naar aanleiding van diverse Meld Misdaad Anoniem-meldingen (‘MMA meldingen’) over de harddrugshandel van de bewoner. Tijdens die observatie werd gezien dat verdachte bij de woning was, onrustig gedrag vertoonde en tassen uitwisselde met de bewoner. De rechtbank is van oordeel dat er op basis van die geobserveerde gedragingen in combinatie met de eerdere MMA-meldingen een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond (HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1367). De verbalisanten waren dan ook bevoegd om verdachte te observeren en op grond van artikel 9 van de Opiumwet onderzoek aan zijn kleding te verrichten. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer. Partieel vrijspraak De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet blijkt dat het gripzakje met 69 bruine ‘soundcloud’ tabletten met een gewicht van 29,98 gram (MDMA) bij verdachte in beslag is genomen. De rechtbank zal verdachte daar dan ook partieel voor vrijspreken. Dit betekent dat verdachte op basis van de bewijsmiddelen in totaal 1.014,02 gram MDMA in bezit heeft gehad en heeft vervoerd. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 1 in de periode van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd 1.014 kilogram van een materiaal bevattende MDMA en 0,83 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; Feit 2 in de periode van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van 391,41 gram ketamine in voorraad heeft gehad. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38 van de Geneesmiddelenwet. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat vanwege het vormverzuim in het strafrechtelijk vooronderzoek strafvermindering op zijn plaats is. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de aanwezigheid van forse verslavingsproblematiek. Zij heeft om die reden verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, zodat verdachte niet meer terug de gevangenis in hoeft. Daarnaast kan er een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd en een taakstraf. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van verschillende soorten harddrugs en heeft ketamine in voorraad gehad. Bij zijn aanhouding bleek verdachte meer dan een kilo MDMA, wat amfetamine en bijna 400 gram ketamine in zijn tas te hebben. Dit betreft hoeveelheden geschikt voor handel, al dan niet door anderen dan verdachte zelf. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een bedreiging vormen voor de volksgezondheid, vanwege het verslavende karakter. Bovendien gaat de handel in harddrugs vaak samen met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen. Zoals uit de bewijsoverwegingen (in 4.3) blijkt komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake is van een vormverzuim het strafrechtelijk vooronderzoek. Er is dan ook geen aanleiding voor strafvermindering. De persoon van verdachte Uit de justitiële documentatie (strafblad) verdachte van 28 oktober 2024 blijkt dat hij een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het rijden onder invloed, maar dat deze nog niet onherroepelijk is. Er is dus geen sprake van recidive in strafverzwarende zin. Verdachte heeft voor de ten laste gelegde feiten in voorarrest gezeten. Het voorarrest is op 27 september 2024 geschorst. Uit het reclasseringsrapport van 28 november 2024 blijkt dat er sprake is van langdurige, forse verslavingsproblematiek en een divers delictverleden. Verder is er instabiliteit op diverse leefgebieden, aangezien verdachte geen werk en/of inkomen heeft, schulden oplopen en hij een negatief sociaal netwerk heeft. Ook zou de woonsituatie niet optimaal zijn, aangezien hij bij zijn vader woont en dit niet altijd even goed gaat. De reclassering schat de kans op recidive hoog en adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: Meldplicht bij reclassering; Gedragsinterventie middelengebruik; Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname); Dagbesteding; Meewerken aan schuldhulpverlening; Meewerken aan middelencontrole. Strafoplegging Bij het bepalen van de strafsoort en hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis daarvan geldt als oriëntatiepunt 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de handel in harddrugs, bij een hoeveelheid van 1000-1500 gram. De rechtbank is van oordeel dat het oriëntatiepunt voor handel in harddrugs niet passend is bij de situatie van verdachte. Er zijn verder namelijk onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte de hoeveelheid harddrugs en ketamine die hij bij zich had zelf wilde gaan verkopen. Ook zag het onderzoek naar de woning in eerste instantie niet op verdachte, maar op iemand anders die vermoedelijk in drugs handelde. Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat verdachte wordt geholpen met zijn problematiek, met name zijn verslaving. Dit lijkt namelijk de grootste oorzaak te zijn van zijn delictgeschiedenis en hij is hier nog niet eerder voor behandeld in een strafrechtelijk kader. Om die reden vindt de rechtbank dat verdachte niet terug de gevangenis in hoeft. De rechtbank zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Hierbij geldt een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen, zodat verdachte ook meteen de gevolgen zal ondervinden van zijn handelen. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 80 uur passend. 9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet; 38 van de Geneesmiddelenwet; 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 100 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: * zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij reclassering Inforsa op het adres Wittevrouwenkade 6 te Utrecht meldt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * actief deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. Er bestaan wachtlijsten voor een ambulante behandeling, om die tijd te overbruggen kan verdachte starten met de training. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; * zich laat behandelen door FAZ Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, kan een vordering of verzoek tot wijziging van de bijzondere voorwaarden worden gedaan. Na goedkeuring door de rechter, zal verdachte zich dan laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt; * zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; * meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden; * meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs/GHB/speed om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren; - beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis; Voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Bazaz, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december
- Mr. Lemmen en mr. Van den Brink zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks de periode van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024 te Utrecht, althans Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1,044 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 0,83 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet ) 2 hij in of omstreeks de periode van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024 te Utrecht, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van (ongeveer) 391,41 gram ketamine, althans een hoeveelheid ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd; ( art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet ) Goednummer PLO900-2024284610-3401670, SIN AARL1169NL.