← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:7729

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2053 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2024 in de zaak tussen [verzoekster] , te [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M. Tracey), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Verweerder heeft op 29 april 2024 gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. Verweerder heeft op 15 februari 2024 een besluit genomen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft ook om een voorlopige voorziening gevraagd.
  2. Op 22 maart 2024 heeft verzoekster bericht dat zij het verzoek om voorlopige voorziening intrekt omdat verweerder diezelfde dag (in concept) een beslissing heeft genomen om het verzoek van verzoekster geheel tegemoet te komen. Verzoekster heeft daarbij een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten en het griffierecht.
  3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij geen proceskosten aan verzoekster wil betalen. Volgens verweerder is er geen sprake geweest van spoedeisend belang, verweerder heeft eiseres op 15 februari 2024 huishoudelijke hulp en ambulante begeleiding toegekend die vervolgens geëvalueerd zou worden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend. Uit coulance en in het kader van de menselijke maat is de huishoudelijke hulp tijdelijk verhoogd gedurende de bezwaarprocedure. Dit betekent volgens verweerder echter niet dat er sprake is geweest van een spoedeisend belang om de voorlopige voorziening toe te kennen. Verweerder is verder ook niet gebleken van een spoedeisend belang: de hoorzitting is op verzoek van verzoekster uitgesteld en op de aangeboden huishoudelijke hulp heeft verzoekster aangegeven dat maandag en dinsdag niet passend was voor haar. Ten slotte ziet verweerder een minimale inzet van de gemachtigde van eiseres gedurende de voorlopige voorziening.
  4. De voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
  5. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het verzoek om een voorlopige voorziening.
  6. De voorzieningenrechter geeft verweerder geen gelijk omdat verweerder is tegemoetgekomen aan verzoekster: hangende de bezwaarprocedure heeft verweerder haar namelijk tijdelijk meer huishoudelijke hulp toegekend. Het uitgangspunt is dan dat er een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Dat verweerder onverplicht en uit coulance is tegemoetgekomen, geeft geen bijzondere omstandigheid om af te wijken van dit uitgangspunt. De voorzieningenrechter wijst hierbij op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:
  7. Verweerders stellingen over het spoedeisend belang maken dit oordeel niet anders, omdat de voorzieningenrechter bij onderhavig verzoek om een proceskostenveroordeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder zal de proceskosten van verzoekster dus moeten betalen.
  8. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
  9. Verweerder moet ook het griffierecht van € 51,- aan verzoekster betalen (artikel 8:82 Awb). Beslissing De voorzieningenrechter: - veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekster; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- moet vergoeden aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni
  10. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.