← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:7751

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/562752 / HA ZA 23-592 Vonnis van 16 oktober 2024 in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] (België), eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , voormalige advocaat: mr. N. de Wint, advocaat: mr. L.E. van Hevele, tegen [gedaagde] , woonachtig te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. E.R. Jonker. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding,- de conclusie van antwoord, - de mondelinge behandeling van 5 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de akte van [gedaagde] na ‘tussenopdracht’, - de antwoordakte van [eiseres] . 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De kern 2.
  3. Op 20 mei 2021 is [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) door de Ondernemingsrechtbank Gent, Afdeling Kortrijk, bij verstekvonnis veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van onder meer € 208.094,63 uit hoofde van vervallen facturen. [eiseres] heeft op 19 augustus 2021 executoriaal kentekenbeslag gelegd op tien bedrijfsvoertuigen van [bedrijf] , te weten:
  4. Een Toyota, type Land Cruiser FRP Top D met het kenteken [kenteken] ,
  5. Een Audi, type E-Tron, met het kenteken [kenteken] ,
  6. Een Peugeot, type 5008, met het kenteken [kenteken] ,
  7. Een Land Rover, type Range Rover Velar, met het kenteken [kenteken] ,
  8. Een Audi, type A6 Avant, met het kenteken [kenteken] ,
  9. Een Volkswagen, type Transporter met het kenteken [kenteken] ,
  10. Een Volkswagen, type Crafter met het kenteken [kenteken] ,
  11. Een Volkswagen, type Caddy met het kenteken [kenteken] ,
  12. Een Volkswagen, type Transporter met het kenteken [kenteken] ,
  13. Een Volkswagen, type Transporter met het kenteken [kenteken] . 2.
  14. [eiseres] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf] aansprakelijk is voor de door haar geleden schade van € 336.992,
  15. Deze schade is volgens [eiseres] het gevolg van de onmogelijkheid om het vonnis ten laste van [bedrijf] te kunnen uitvoeren doordat [gedaagde]

(1)naliet om tijdig de jaarrekeningen te publiceren en
(2)niet meewerkte aan het door [eiseres] gelegde kentekenbeslag. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] enkel in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is voor de gevolgen van dit laatste verwijt. Hoe de hierdoor geleden schade moet worden begroot, wordt hierna toegelicht. 3De beoordeling De rechtbank is bevoegd en zal de zaak beoordelen naar Nederlands recht 3.
  1. [eiseres] is in België gevestigd. De zaak heeft daarmee een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom eerst ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegdheid heeft en welk recht op dit geschil van toepassing is. 3.
  2. De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is. Dat volgt uit het feit dat [gedaagde] in Nederland woont (artikel 4 van de Verordening nr. 1215/2012 (EEX-Vo)). 3.
  3. Het Nederlandse recht is van toepassing. Hoewel Rome II-Vo (Verordening nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen) niet van toepassing is op persoonlijke aansprakelijkheid van leden en organen van een vennootschap voor de schulden van die vennootschap, is Rome II-Vo op grond van artikel 10:159 BW van overeenkomstige toepassing op verbintenissen die buiten die verordening vallen en als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt. Uit het feit dat beide partijen zich beroepen op het Nederlandse recht, kan worden afgeleid dat zij een rechtskeuze voor dit recht hebben gemaakt (artikel 14 lid 1 Rome II-Vo). [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade in verband met het niet meewerken aan het kentekenbeslag 3.
  4. [gedaagde] is tegenover [eiseres] aansprakelijk voor de door haar geleden schade in verband met het niet meewerken aan het door [eiseres] gelegde kentekenbeslag. In het proces-verbaal van het executoriale beslag staat dat [bedrijf] binnen 10 dagen na betekening van het proces-verbaal contact moet opnemen met [eiseres] voor het feitelijk afgeven van de motorvoertuigen en de daarbij behorende papieren. [bedrijf] heeft hier geen gehoor aan gegeven, zo volgt uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie met de deurwaarder. Het niet voldoen aan de verplichting uit het proces-verbaal geldt volgens de wetgever als een strafbare onttrekking van een goed aan het beslag (Kamerstukken II, 2018/2019, 35225, 3, p. 37) en dit levert een onrechtmatige daad van [gedaagde] in de zin van artikel 6:162 BW op. 3.
  5. [gedaagde] heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder namelijk bewerkstelligd en/of toegelaten dat de vennootschap deze wettelijke verplichting niet nakwam. Uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie met de deurwaarder volgt dat, ondanks dat de deurwaarder herhaaldelijk telefonisch contact met [gedaagde] heeft gezocht, er geen reactie volgt. Het nalaten om de motorvoertuigen en de daarbij behorende papieren af te geven is tegenover [eiseres] zodanig onzorgvuldig, dat [gedaagde] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Door het handelen van [gedaagde] heeft [eiseres] schade in de vorm van waardevermindering geleden, aangezien zij de voertuigen die tijdens het beslag eigendom van [bedrijf] waren of zijn geworden, niet executoriaal heeft kunnen verkopen. 3.
  6. [gedaagde] betwist dat [eiseres] schade heeft geleden, omdat de voertuigen allemaal leaseauto’s zouden zijn die ten tijde van de beslaglegging nog geen eigendom van [bedrijf] waren. Bovendien heeft [eiseres] volgens [gedaagde] zelf besloten om – gelet op de lage opbrengst bij vrije verkoop – de executie te staken. De enkele (niet onderbouwde) mededeling van de deurwaarder dat de opbrengst bij vrije verkoop een summier deel van de vordering zou aflossen is echter onvoldoende om aan te nemen dat [eiseres] om die reden de executie heeft gestaakt, zeker nu [gedaagde] dit niet verder heeft onderbouwd. De rechtbank gaat hier dan ook niet in mee. 3.
  7. [gedaagde] heeft in zijn akte acht leaseovereenkomsten overgelegd. In alle gevallen gaat het om financial lease, waarbij [bedrijf] na betaling van een slottermijn eigenaar van het voertuig wordt. Tot deze slottermijn is betaald, blijft de leasemaatschappij dus juridisch eigenaar van het voertuig. De rechtbank overweegt op grond van de overgelegde leaseovereenkomsten als volgt. Ten aanzien van voertuigen 5, 6 en 10 3.
  8. [gedaagde] moet voertuigen 5, 6 en 10 met de bijbehorende papieren aan [eiseres] overdragen. Van deze voertuigen is zeker dat de eigendom op enig moment op [bedrijf] is overgegaan. Ten aanzien van voertuig 10 heeft [gedaagde] geen leaseovereenkomst overgelegd, zodat als onvoldoende onderbouwd betwist wordt aangenomen dat [bedrijf] op het moment van beslag (19 augustus 2021) eigenaar was van dit voertuig. [gedaagde] heeft ten aanzien van voertuigen 5 en 6 zelf al gesteld dat de eigendom op enig moment op de vennootschap is overgegaan, wat ook blijkt uit de overgelegde leaseovereenkomsten. 3.
  9. [eiseres] kan deze voertuigen verkopen, waarna zij opgave moet doen van de opbrengst. Zij moet ook opgave doen van wat de voertuigen volgens haar hadden opgebracht op het moment dat de juridische eigendom is overgegaan op [bedrijf] . Dit is respectievelijk april 2021 (voertuig 10), april 2023 (voertuig 5) juli 2023 (voertuig 6). Het verschil betreft de waardevermindering en dus de schade. [gedaagde] mag vervolgens op die opgave reageren. Ten aanzien van voertuigen 4 en 8 3.
  10. [gedaagde] mag reageren op de veronderstelling van de rechtbank dat de juridische eigendom van voertuig 4 in juni 2024 op de vennootschap is overgegaan, zodat hij ook dit voertuig en de bijbehorende papieren aan [eiseres] moet afgeven. [gedaagde] stelt in zijn akte weliswaar dat de eigendom nog niet op [bedrijf] is overgegaan, maar op het moment van beslaglegging (19 augustus 2021) waren er – zo stelt [gedaagde] – 15 van de 48 maandelijkse termijnen betaald. Dit betekent dat de leaseovereenkomst is gaan lopen in juni 2020 en dus is geëindigd in juni
  11. 3.
  12. [gedaagde] mag ook reageren op de veronderstelling van de rechtbank dat de juridische eigendom van voertuig 8 in mei 2023 op [bedrijf] is overgegaan. Dit zou wederom betekenen dat hij ook dit voertuig en de bijbehorende papieren aan [eiseres] moet afgeven. [gedaagde] stelt dat voor voertuig 8 op het moment van beslag 17 van de 60 maandelijkse termijnen zouden zijn voldaan, maar in het door [gedaagde] overgelegde leasecontract zijn 38 – en geen 60 – maandelijkse termijnen overeengekomen. Dit zou betekenen dat de juridische eigendom van voertuig 8 in mei 2023 op [bedrijf] is overgegaan. 3.
  13. [eiseres] mag vervolgens reageren op de door [gedaagde] genomen akte. Ten aanzien van voertuig 1 3.
  14. De schade ten aanzien van voertuig 1 wordt begroot op € 0,-. De rechtbank neemt weliswaar aan dat [bedrijf] op het moment van beslag eigenaar was van dit voertuig – [gedaagde] heeft geen leaseovereenkomst overgelegd en hiermee de stelling dat hij eigenaar is onvoldoende onderbouwd betwist – maar gaat er, gelet op de omstandigheden van het geval, van uit dat het voertuig ten tijde van beslag niets meer had opgeleverd. Het voertuig is namelijk van 1986 en als onweersproken staat vast dat deze zich momenteel op de sloop bevindt. Gelet op de huidige staat van het voertuig, gaat de rechtbank ervan uit dat deze drie jaar geleden ook niets meer had opgeleverd. Ten aanzien van voertuigen 2, 3, 7 en 9 3.
  15. Ten aanzien van voertuigen 2, 3 en 7 bestaat er op dit moment geen schade. De juridische eigendom van deze voertuigen is, zo volgt uit de door [gedaagde] overgelegde leaseovereenkomsten, nog niet op [bedrijf] overgegaan. [eiseres] kan deze voertuigen nog niet executoriaal verkopen, zodat er van schade geen sprake is. 3.
  16. Ook ten aanzien van voertuig 9 bestaat er geen schade. De juridische eigendom van dit voertuig is nooit op [bedrijf] overgegaan. Ten tijde van het beslag waren nog niet alle termijnen door de vennootschap voldaan en het voertuig is inmiddels door de leasemaatschappij uit de lease gehaald, omdat de slottermijn niet is betaald. Vaststaat dus dat [bedrijf] ook geen eigenaar meer van dit voertuig wordt. 3.
  17. Zou [gedaagde] bovendien onrechtmatig hebben gehandeld door niet de slottermijn te betalen en/of door [eiseres] niet te informeren over de mogelijkheid om deze te voldoen, dan is er alsnog geen sprake van schade. Uit productie 4 van de bij de door [gedaagde] genomen akte volgt namelijk dat de pandhouder in verband met het openstaande saldo van € 7.644,70 (exclusief rente en kosten) niet verwacht dat de executieverkoop voldoende is om het volledig uitstaande saldo te dekken. Oftewel, het voertuig had bij executoriale verkoop niet meer opgeleverd dan het openstaande bedrag. Door [eiseres] is dit niet betwist. Een eventueel surplus zou overigens – zo volgt ook uit productie 4 – worden uitbetaald aan [eiseres] , zodat ook in die zin geen sprake is van schade. Geen bestuurdersaansprakelijkheid door het niet publiceren van de jaarcijfers 3.
  18. [eiseres] doet daarnaast een beroep op bestuurdersaansprakelijkheid in verband met het niet publiceren van de jaarcijfers na 2017 en verwijst in dit kader naar artikel 6:249 BW. Hoewel het artikel hier volgens haar (terecht) niet van toepassing is – de jaarrekeningen zijn juist niet gepubliceerd – is er ook geen sprake van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Zou het handelen van [gedaagde] al een onrechtmatige gedraging opleveren, dan heeft dit in ieder geval niet tot schade geleid. Had [eiseres] namelijk toegang tot de jaarcijfers gehad, dan had zij kunnen zien dat er geen verhaalsmogelijkheden aanwezig waren voor de tenuitvoerlegging van haar vonnis. In dat geval was haar vordering dus nog steeds niet voldaan. 3.
  19. Hetzelfde verwijt wordt [gedaagde] gemaakt ten aanzien van het aangaan van de huurovereenkomst van de kranen. [eiseres] stelt dat zij bij het aangaan van die huurovereenkomst geen zicht had op de financiën van [bedrijf] en als zij dat wel had gehad, de schade minder was geweest. Voor zover [eiseres] hiermee ook bedoelt dat [gedaagde] bij het aangaan van de huurovereenkomst wist of moest weten dat de vennootschap de transactie niet kon nakomen en geen verhaal zou bieden voor de door die wanprestatie veroorzaakte schade (Beklamel-norm), is dit allebei niet komen vast te staan. 3.
  20. Ter zitting heeft [gedaagde] uitgelegd dat [bedrijf] handelde als tussenpersoon voor [bedrijf] . In opdracht van [bedrijf] heeft zij de kraan gehuurd bij [eiseres] . [bedrijf] ontving hiervoor € 25.000,- per maand. Op enig moment is [bedrijf] failliet gegaan, waardoor [bedrijf] – aangezien dit haar enige bron van inkomsten was – in de problemen is gekomen. De schade van [eiseres] was bij inzicht in de jaarcijfers dus niet minder geweest. [gedaagde] had ten tijde van het sluiten van de overeenkomst daarnaast niet kunnen voorzien dat [bedrijf] de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet kon nakomen. Vervolg 3.
  21. [gedaagde] mag een akte nemen over de veronderstelling van de rechtbank dat ook voertuigen 4 en 8 in eigendom zijn overgegaan op [bedrijf] , waarna [eiseres] hierop mag reageren. De zaak wordt ten aanzien van de door [eiseres] te nemen akte over de waardevermindering verwezen naar de parkeerrol van 2 april 2025, waarna [gedaagde] hierop mag reageren. Op verzoek van [eiseres] kan de naar de parkeerrol verwezen zaak eerder naar de continuatierol worden verwezen. 3.
  22. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing De rechtbank 4.
  23. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 30 oktober 2024 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over wat is vermeld onder 3.10 en 3.
  24. Twee weken na de akte van [gedaagde] mag [eiseres] hierop reageren, 4.
  25. verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 2 april 2025 voor het nemen van en akte door [eiseres] over wat is vermeld onder 3.
  26. Twee weken na de akte van [eiseres] mag [gedaagde] hierop reageren, 4.
  27. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober
  28. EB5791

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.